Door Marie C. Vanger-Frank
(1838-1891)
Oost-Indische mensen en dingen geschetst
Leiden: D. Noothoven van Goor, 1874
Katja Mata (ps.): Een natuurlijk kind en andere Nederlandsch-Indische
verhalen
Leiden: D. Noothoven van Goor, 1877
Oude liefde roest niet. Een Nederlandsch-Indisch verhaal
Leiden: D. Noothoven van Goor, 1877
Cèlines beproeving. Nederlandsch-Indische novelle.
Leiden: D. Noothoven van Goor, 1877
Hoe zij oude vrijster werd
Leiden: D. Noothoven van Goor, 1877
Bij storm en helder weer
Leiden: D. Noothoven van Goor, 1879
Dwalende harten en kinderen van éénen vader.
Leiden: D. Noothoven van Goor, 1879
Eenige jonge dames
Leiden: D. Noothoven van Goor, 1879
Leonores huwelijk. Nederlandsch-Indisch verhaal
Leiden: D. Noothoven van Goor, 1877
Twee wegen
Rotterdam: Ducr. Goetzee, 1880
Zwervers
Arnhem: E. & M. Cohen, 1879-1883
Souvenirs van Jakob Stilleven, gepensioneerd Oost-Indisch ambtenaar
Amsterdam: D. Noothoven van Goor, 1880
Rosa van Dennenburg of de zegepraak der kinderliefde
Leiden: Sijthoff, ca 1880
Geschiedenis der schoone Hirlande of de zegepraal der onschuld over
de boosheid
Leiden: Sijthoff, ca 1880
Bijna verloren
Haarlem: Erven F. Bohn, 1881
Bruintje. Een verhaal voor de jeugd
's-Gravenhage: Visser, 1884
De arme juf
Rotterdam, 1885
Trijntje Toet
Rotterdam, 1885
De verborgen schat. Een verhaal voor jonge lieden
Amterdam: A. van Klaveren (gebr. Koster), 1886
Een lief blondinetje
Dordrecht: J.P. Revers, 1886
Onafhankelijk. Roman
's-Gravenhage: Erven, 1888
Blank en bruin. Nagelaten roman
Amsterdam: H.J.W. Becht, 1893
Het bovenstaande is gebaseerd op Die zwarte oogen! men kan nooit weten. Indië in het werk van M.C. Frank (1838-1891). Doctoraalscriptie Simona van Klaveren.
Over Marie C. Vanger-Frank
(1838-1891)
Onder andere:
Simona van Klaveren:Die zwarte oogen! men kan nooit weten. Indië
in het werk van M.C. Frank (1838-1891). Doctoraalscriptie Amsterdam
'M.C. Frank' door Rob Nieuwenhuys in Oost-Indische Spiegel. Wat Nederlandse
schrijvers en dichters over Indonesië hebben geschreven vanaf de
eerste jaren der compagnie tot op heden Amsterdam: Querido. 1978 (
pag. 217-220)
|