Henriette van Raalte-Geel
(1940)
Kan één boek duizend andere samenvatten? In augustus wel.
Lees een kampdagboek en een wereld opent zich, de wereld die eindigde
in augustus 1945. Op de 15de, met de capitulatie van Japan. Op de 17de,
met de proclamatie van de Rebuplik Indonesia. Henriette van Raalte-Geel
publiceerde in 1998 Mogen wij altijd in dit kamp blijven? In 2005
werd het herdrukt, verrijkt met foto's uit kisten van vroeger. De titel
is de vraag van een kind, en door de ogen van het kind kijken we naar
de bezetting, naar de kampen en naar de warme ontvangst bij opa en oma
in Nederland. Henriette van Raalte-Geel vertelt. Over het boek, over toen
en wat daarna gebeurde. En over wat er nu met het boek gebeurt.
"Het boek is niet geboren uit frustraties. Ik zat in 1996 op een
schrijfcursus en opeens kwam er een herinnering uit mijn pen. De docent
had gezegd dat we naar buiten moesten gaan en iets zoeken om over te schrijven.
Ik zag vlaggen aan de kerktoren en opeens stond ik in het kamp, waar ik
vlaggetjes zag en vrouwen hoorde zingen. Aan mijn moeder vroeg ik wat
het betekende. Ze vertelde dat het 31 augustus was, Koninginnedag."
"Zo is het boek ontstaan. Flarden herinnering van mij. De context
kwam van mijn moeder. Ik herinner me veel. Beelden, geluiden. Details.
Met mijn moeder kon ik er over praten en zij was blij dat iemand van de
kinderen er aandacht voor had."
"Als ik achter de computer zat, leek het of ik onder hypnose zat.
Dat verhaal van gebakken eitje herinnerde ik me precies, ik maakt het
mee en keek toe. Binnen een jaar was het af."
Toen was het verhaal er. Een kind uit een gezin, dat met moeder en zusjes
naar de kampen moet. Verschillende kampen. Ze raakt vertrouwd met honger,
met de dood en ze ontwent veiligheid en de aanwezigheid van vaders. Ze
leert koffers te pakken binnen tien, vijftien minuten omdat ze niet meer
tijd van de Jap krijgen voor het volgende transport. "Zo snel pakken
kan ik niet meer. Ik ben het gelukkig verleerd. Wel heb ik er over gedroomd
toen ik in Japan was. Dat we weer uit het kamp moesten."
Na het verschijnen van het boek, kwamen de reacties. Mensen die argwanend
vroegen hoe ze zich dit allemaal herinnerde. Henriette: "Ik ben mathematisch
ingesteld en heb ook een alfa-kant. Dus ik herinner me iets op een logische
manier, met gevoel. En ik kon er natuurlijk veel met mijn moeder over
praten." Ook ontstond er veel contact met kennissen en vrienden van
vroeger: "Zo leuk om weer oude klasgenoten uit Indië te ontmoeten."
Hoe ging het verder na het einde van het boek? Daar is het kind dat Henriette
was veilig bij haar ouders terug. Ze wonen bij de grootouders in Den Haag.
"Destijds was er nauwelijks woonruimte. We bleven inwonen tot er
een etage onder het huis van mijn grootouders vrijkwam. Die heeft mijn
moeder gekraakt." Geleidelijk raakte het gezin in Nederland thuis.
De vader vond na therapie een plaats in het gezin en een baan bij het
Ministerie van Financiën. "We hebben hem snel geaccepteerd.
We vonden dat hij wel streng was. Moeder zei altijd: 'ze hebben in kamp
gezeten!' Maar vader wilde dat we netjes aten, dat we onze taal goed gebruikte,
dat we behoorlijke schoolopleiding zouden doen."
Voor Henriette verliep het leven zoals voor velen. Ze vond een betrekking
als verpleegster in het Prinsengrachtziekenhuis in Amsterdam, trouwde
en scheidde later. Een nieuw leven als directiesecretaresse van Philips,
in Eindhoven. Toen terug in Den Haag en daar terechtgekomen bij het Ministerie
van Onderwijs. Voor de tweede keer getrouwd: "Met mijn overbuurman.
Hij was arts. Samen zijn we begonnen te schrijven, anekdotes uit het ziekenhuis."
In de late jaren '90 gaat ze reizen naar de oost. Indonesië. "Om
de plaatsen te bezoeken waar wij in de kampen hebben gezeten. Ik wilde
zien hoe die er nu uit zag. Kampong Makassar bestaat niet meer, maar dat
eerste kamp Kareës, daar heb ik gefilmd en toen viel de camera uit
mijn handen. Zo vol emotie raakte ik."
"Ik heb geen zwaar kampsyndroom. Misschien heb ik wel iets overhouden
uit die tijd. As ik eten weggooi, moet ik er altijd over denken. Als er
mensen zijn met wie ik eet, dan zorg ik wel dat ik gauw mijn portie binnen
heb. Ik weet dat ik het doe maar kan er niet mee stoppen. Dat doe ik niet
als ik alleen ben."
Momenteel schrijft Henriette weer. "Ik ben een laatbloeier. Wat
ik meegemaakt heb bij het Ministerie van Onderwijs schrijf ik op, het
boek heet: Aan een koord over de afgrond.
Maar dat raakt eigenlijk een beetje op de achtergrond, zeker in de augustusmaand.
Ze voert intensieve gesprekken met regisseur de heer Frans Weisz en het
productiehuis Column van Gijs van de Westelaken en Theodor Holman. Er
moet een historische speelfilm komen gebaseerd op haar boek, inclusief
de troostmeisjes. Behalve Paradise Road is er nog niets over het
Japanse kampleven.
"Ik verheug me erop", zegt Henriette. "Er is nog een perkara
die ik op moet lossen, maar dat lukt me. Want ik ben een vechter, ik heb
in het kamp gezeten."
Gesprek met de Conductrice op 31 juli 2008
|