|
Jeanne Kloos-Reyneke van Stuwe
(1874-1951)
Zij was "een der meest begaafde en veelzijdigste romancières van ons
land" jubelde het periodiek De Hofstad in 1919 en het blad prees
Jeanne Reyneke van Stuwe vanwege haar werkkracht: "Met een onuitputtelijke
verscheidenheid, in een schier eindelooze milieu-wisseling bracht zij
ons haar op jaar een nieuwen roman en dat met een detailkennis over al
die meest uiteenlopende werelden waarvoor ieder ander op zich zelf al
jaren van milieu-studie zou noodig hebben." Het was waar. Jeanne
kon zich schijnbaar moeiteloos in een vreemde wereld verdiepen. Maar er
was één wereld waarmee zij verbonden was: Indië. Haar
geboorteland.
"De zielige omstandigheden van de familie Demeire deden Hilda veel
nadenken over allerlei. Dit gezin was natuurlijk geen uitzondering; in
den Haag huisde immers een heele kolonie Indische gasten? En zij vreesde,
dat de omstandigheden van velen dezer niet rooskleuriger waren. Ja, tegenwoordig
met de ver uitgebouwde buitenwijken, wilden alle Indiërs in den Haag
wonen; vroeger trokken de gepensioneerden naar een goedkoop dorp, maar
nu wou alles wonen in den Haag. Och, gelijk hadden ze; in den Haag had
je letterlijk alles; comedie en concert en Dierentuin en bioscoop en duin
en bosch en zee en strand, en bals van de Indische club in Concordia en
aardige, goedkoope huisjes en de schitterendste winkels, al wat je hartje
begeert. Maar toch zou 't voor al die lieden wel behelpen zijn, vergulde
armoe, al zou je t ook niet zeggen, als je ze 's zomers zag paradeeren
op 't terras van 't Witte paviljoen of 't Kurhaus-terras. . . of de Pier.
. " Zo filosofeert het Hollandse dienstmeisje Hilda over 'haar' Indische
familie te Den Haag, in de roman De Hofstad (z. jr.). Armoe onder
'Indiërs' in 's - Gravenhage, de stad waar zo veel mensen uit Indië
woonden. Het is een levendig tijdsbeeld dat we door de ogen van Hilda
waarnemen. Terwijl de roman verschillende verhaallijnen sterker ontwikkelt,
is toch Indië ook hier aanwezig, hier wat meer op de achtergrond,
elders op de voorgrond.
Jeanne Henriëtte Reine Reyneke van Stuwe kwam ter wereld op 1 september
1874 te Solo. Ze was het middelste kind. Voor haar was in 1871 haar zusje
Jacqueline geboren, later in 1876 kwam broer Jacob. Voor vader Hendrik
Wilhelm Carl van Stuwe was het huwelijk met Johanna Maria Wilhelmina de
Jong gezegend. Hij diende als luitenant-kolonel bij het KNIL, en genoot
in die functie een zekere bekendheid. Men noemde hem 'de leeuw van Deli',
omdat hij een groot aandeel had in de overmeestering van Deli. Ook stond
hij bekend als 'suikerlord', dankzij het kapitaal dat hij had verworven
met suikercultures te Semarang. Kort nadat Jeanne geboren was, verhuisde
het gezin naar Nederland. In Maerssen, waar men in het imponerende huis
'Ter Meer' woonde, daarna in een riante woning te Breda. Het luxebestaan
duurde kort. Door de suikercrisis verloor papa Van Stuwe zijn geld. Niet
lang daarna overleed hij, het gezin aanzienlijk verarmd achterlatend.
Zij verhuisden naar Den Haag.
De jonge Jeanne vond een veilige haven in de wereld van het lezen en schrijven.
Ze bezat talent. Doorzettingsvermogen. En ook een beetje branie. Haar
eerste verzenbundel stuurde ze aan de legendarische dichter Willem Kloos.
Hij zag iets moois op het fijne gezichtje van Jeanne. Op 4 april 1900
trouwden ze, een schrijvershuwelijk van het begin af aan.
Voor zover we weten is Jeanne Reyneke van Stuwe nooit teruggekeerd naar
haar geboortegrond. Indië vergeten kon ze niet, evenmin het feit
dat zij een KNIL-dochter was. In haar werk is Indië op verschillende
manieren aanwezig. Haar productiviteit bood daar ruimte genoeg voor. Nog
altijd is het totale aantal titels van boekbesprekingen in de Nieuwe
Gids, schetsen, verhalen, feuilletons (ook in Indische kranten), toneelstukken
en romans niet geteld. Wel waren de twee grote roman-series tot de Tweede
Wereldoorlog ongekend populair. Haar 'Zijden en keerzijden'-cyclus telde
zeker 15 boeken, die afzonderlijk gelezen konden worden, maar elk in het
grote geheel paste. Al bij de eerste roman Huize ter Aar (1905)
is de autobiografische inslag duidelijk: de verschrikkelijke suikercrisis
staat centraal, in het huis 'Ter Aar' is haar eigen woonhuis Ter Meer
herkenbaar. Haar tweede roman-reeks 'Van Vrouwenleven' telde minstens
vijf lijvige romans.
Maar Jeanne Reyneke van Stuwe schreef ook uiterst luchtig over Indië.
In de bundel Schetsen (z. jr.) vertellen drie gepensioneerde KNIL-officieren
elkaar sterke verhalen over geesten; in Met den handschoen (1915)
is de toon nog luchtiger, ondanks de soms dramatische inhoud van de verhalen.
De titels duiden klassieke onderwerpen aan uit de Indisch-Nederlandse
literatuur:'een kabar kawat', 'Gouvernante', 'het groote leed van Indië
' ( de kinderen naar een school in Nederland sturen) en natuurlijk het
titelverhaal 'met den handschoen'.
Het 'handschoentje' in dit verhaal is Betty, een gevoelige jonge vrouw.
Zij is met de handschoen getrouwd en zij is, zonder het haar Hans in Indië
te zeggen, eerder aangekomen. Om te wennen. Ze is zolang bij haar getrouwde
zuster ingetrokken. Zij probeert Betty op haar gemak te stellen met geruststellende
verhalen: "van de suikerfabriek Padjarakan, waar Frist en zij zoo
prettig bij Hans hadden gelogeerd. O, hij heeft zoo'n gezellig huis, Betty,
je zal wel zien, heelemaal wit, met 'n dubbel bruin dak, en 'n kleine
galerij, 't is een beetje nieuwerwetsch, weet je, typisch leuk
.
En hij is zoo goed met de andere employé's. . .Als de maaltijd
voorbij is, gaan al de heeren en dames dikwijls picknicken naar 't meer
van Klakah, of 't meer van Ranoepakis. . .Dan gaan ze eerst baden. . ."
Maar die arme Betty schrikt van het onfatsoenlijke dat ze denkt, ze weet
niet wat Indisch baden is. . . Als wij dit lezen, neigen we tot lachen.
Toch blijft de overheersende indruk van deze en vergelijkbare schetsen
die van eenzaamheid, waaronder Europese vrouw in Indië zo vaak leden.
Ronduit fascinerend is "Alarm!" Militaire roman uit
1919. Hierin beschrijft Jeanne Reyneke van Stuwe de eerste en tweede Lombok-expeditie
in 1894. We kijken door de ogen van de Hollandse Otto Berghem, die zich
vrijwillig heeft aangemeld. Militaire handelingen, jaartallen, namen van
Indonesische vorsten en Europese strategen, krijgsliedjes, liefde en dood,
dit alles en meer staat er in. Toch is het geen Indische roman, als een
Hollandse auteur die al schrijven kan. Daarvoor blijft Indië, hoe
precies het verloop van de expeditie ook beschreven wordt, te veel een
decor voor het gevoelsleven van de hoofdpersoon Otto. Hij keert gewond
terug in Nederland, vervuld met gedachten over zichzelf. Wat Lombok was,
of de expeditie betekende, kan hij niet begrijpen. Het oorlogsgeweld dat
hij meemaakte, heeft alleen gediend om zichzelf beter te leren begrijpen.
In dit boek krijgt de grondige werkmethode van de schrijfster een bepaalde
tragiek. Zo goed feiten over Indië kennen, van haar KNIL-vader ongetwijfeld
verhalen gehoord, zelf daar geboren zijn - en toch, niet echt de wereld
kennen. Dichtbij, veraf, alletwee tegelijk.
Vrijwel ieder jaar publiceerde Jeanne Reyneke van Stuwe een roman. Altijd
goed gedocumenteerd, altijd de feiten omgewerkt tot meeslepend proza.
Haar populariteit steeg. Daarnaast trad zij, als ze dat wilde, op als
"mevrouw Kloos-van Reyneke Stuwe'. In interviews met de dichter uit
die tijd is zij nadrukkelijk op de achtergrond aanwezig. Na zijn dood
in 1938 publiceerde ze enkele studies over hem. Na de Tweede Wereldoorlog
verloor zij haar faam. Men kende de bejubelde romancière niet meer
en voor de weduwe Kloos was het respect ook teruggelopen. Zij stierf in
1951, zonder veel glorie. Kranten en tijdschriften maakten kort melding
van haar overlijden. Daarna werd het te stil rondom Jeanne Reyneke van Stuwe.
|