 |
 |
 |
(foto uitsnede boekomslag)
|
|
Elisabeth Woensdregt
(1887-1967)
"Vandaag ben ik begonnen met het inkopen van kapok van de nieuwe
oogst om matrassen te kunnen maken. Vroeger lieten de mensen nagenoeg
alles wegwaaien. Eindelijk hebben we hen zover gekregen dat ze het verkopen.
Er was daardoor heel wat werk te doen. Ook het iedere dag wegen en uitbetalen
van de rijststampers geeft veel werk. We hebben op het ogenblik tien jongens
en meisjes in huis: vier To Bada', drie To Lamboe, twee To Lage en een
To Manado. Daar is iedere dag veel eten nodig! En de stampers verdienen
er hun eigen kleren mee."
Deze woorden schreef Elisabeth Woensdregt op 27 oktober 1927 in haar
dagboek. Ze bevond zich in Indië, op Midden-Celebes. Met haar echtgenoot
Jacob woonde en werkte ze temidden van de bevolking, de To Bada'. Elisabeth
en Jacob zouden daar zendingswerk verrichten tussen 1916 en 1928. De regels
uit het dagboek van Elisabeth geven een beeld van een moeilijk leven,
lange dagen, weinig comfort.Slechts 15, 5 procent van de To Bada was Christen,
en dat betekende dat er voor het echtpaar Woensdregt veel te doen was.
Elisabeth Hoornweg was gereformeerd en had een betaalde werkkring als
verpleegster. Zorgzaam, gelovig, doortastend. Een Rotterdamse, die van
aanpakken wist. In 1915 trouwde ze met Jacob Woensdregt, een hervormd
man die voor zendeling gestudeerd had. Het jaar werd het prille echtpaar
uitgezonden naar Midden-Celebes, door het Nederlandsch Zendelingen Genootschap.
Ze gingen, en kwamen terecht in een samenleving zonder schrift, met een
moeilijk te doorgronden taal, met slavernij en koppensnellen.
Elisabeth was toen 29 jaar. Met het oog op de uitzending, had ze extra
lessen genomen in verband- en ziekteleer en zich ook kennis van het Maleis
eigen gemaakt.
Zoals blijkt uit haar dagboek en haar brieven, lagen haar taken op het
gebied van de huishouding, het bijstaan van haar echtgenoot, zorg geven
aan de bevolking en, men zou het als een eerste prioriteit neigen te beschouwen,
zichzelf gezond en leven houden. In dit afgelegen gebied bracht Elisabeth
vier kinderen ter wereld, in het nabijgelegen Poso.
Elisabeth is niet vergeten, in tegenstelling tot het merendeel van de
honderden, zo niet duizenden vrouwen die in de zending of de R.K.-missie
werkten. Vrijwel vanaf haar aankomst schreef ze brieven naar Nederland,
waarin ze verslag deed van haar dagen. Deze werden, met die van Jacob,
gepubliceerd in De Bada-Bode, een maandblad dat vooral in het oosten
van Nederland goed werd gelezen.
Bijzondere brieven zijn het, die ons mee laten leven in het alledaagse
bestaan van Elisabeth. Zij heeft, behoudens een nagelaten dagboek en enkele
lezingen, niet veel meer over Indië willen zeggen. Daar immers lag
een groot deel van haar leven, en daar immers had zij Jacob moeten achtergelaten
die na een hoge koorts was overleden.
Dankzij haar nalatenschap die door haar nazaten verzameld en gekoesterd
is, is Elisabeth degene die ons een kijkvenster biedt op het leven als
zendelinge-echtgenote in de jaren '20 in Indië. Zendings- en missieliteratuur
vormen een belangrijk deel van de Indisch-Nederlandse letterkunde. De
brieven van Elszabeth zijn er een prachtig en overtuigend voorbeeld van.
|