|
Ten geleide
Dit is het verhaal van een meisje dat veel alleen is. Zij heeft een tuin, weinig
mensen om zich heen, en verdroomt haar leven in deze fase. Autobiografisch,
zei de schrijfster.
De mensen zeiden dat
het een goed en gelukkig gezin was, dat daar woonde in het oude huis. Een groot,
wit huis aan het einde van een oprijlaan.
Door een poort van zware bomen en loof, luchtwortels en kantwerk van fijne takjes
zag je het liggen. Eerst de voorgalerij met de witte zuilen waartussen een martavaan
stond, weerspiegeld in het marmer van de vloer. Daarachter de donkere rechthoek
van de deur naar de gang, die steeds open stond, en dan ineens een schelle rechthoek
waarin je vaag de hemel, de horizon en een stuk van de zee kon onderscheiden.
Binnen was het steeds koel.en schemerig. Op de marmeren vloeren lagen Perzische
tapijten; de wanden hingen vol schilderijen, veel te vol eigenlijk en meestal
hingen ze scheef, maar dat stoorde niemand.
Buiten, in de bijgebouwen,
klonken de dagelijkse geluiden die zo bij een huis horen: het doffe ritmische
stampen in een stenen vijzel, de maaimachine ergens achter in de glooiende tuin,
een waterkraan die lekte.
De zonnige tuin strekte zich tot ver naar achteren, in drie terrassen door bloeiende
hagen verdeeld en omzoomd door eeuwenoude bomen, ieder met zijn eigen kleur
van diep-donker blauw tot heel teer groen. Onder de bomen was een schemerig
licht en tal van planten dekten de grond zodat je geen stukje aarde naakt zag.
Fel gekleurde krullende crotonbladeren, vreemde planten en bloemen of giftig
glimmende bessen, rood en groen, soms bedekt met een zeilachtig wit blaadje.
Alles fluisterde en ritselde in de wind en over dat alles scheen de zon. Er
was ook een dierenkerkhof. De plaats was wel goed gekozen. Een beetje geheimzinnig
was het daar in de koele stilte. Onder verweerde, marmeren stenen rustten de
dieren van vroeger en nog veel langer geleden. Aan het einde van dit stuk tuin,
onder de oude regenboom, stond een gebogen witte bank tegen een achtergrond
van een bladeren gordijn dat door een zorgvuldige hand over een wijduitgestrekte
tak gedrapeerd scheen te zijn. Blauwe bloemtrossen fleurden het op en vormden
lichte plekken in het gebladerte. Hommels verdiepten zoemend de stilte. Er zat
nooit iemand op die bank, misschien wel omdat de stilte daar zo spookachtig
was. Of omdat er vleermuizen tussen de bladeren verscholen hingen tot de schemering
inviel?
Een hoge, brede haag met miljoenen paarse bloemen, bloeiend, sloot dit deel
en het tweede terras af van de akkers er achter. Daar stonden magere kateIlaplanten
in de rode aarde, zinderend in van hitte trillende lucht.
Het landschap achter de tuin verwazigde heuvelig in de verte, steeds lager en
lager. De kleuren vervaagden tot een mistig blauw waaruit de daken van de benedenstad
prikten en nog verder weg geen duidelijke afscheiding vormden met de zee, die
er altijd was. Soms groen, soms grijsblauw, later op de dag meestal vaag. Daar
boven en naar de horizon toe dreven machtige wolken, die, meer naar rechts,
een oude vulkaan aan het oog onttrokken.
's Morgens liet hij zich wel eens bewonderen, zo lang het nog helder was, drijvend
op ijle ochtendnevels in een wazige verte.
In deze wereld leefde het kind Lily, meestal alleen vergezeld van de honden
die steeds bij haar waren en waar zij mee sprak of het mensen waren. Soms stond
zij even stil en probeerde de hoogte boven haar te peilen, de ruimte om haar
heen, diep ademend. Of stond zij luisterend te kijken om de dingen in zich op
te nemen en vooral niets te missen van wat er niet gebeurde; eigenlijk gebeurde
er niets.
Na een bezoek aan het dierenkerkhof was zij blij de weemoedige stilte en de
allesomvattende griezeligheid van de plek te verlaten, die haar nog even onhoorbaar
wou nasluipen, met uitgestrekte armen, tot zij weer in de zon liep langs de
paarse haag, opgenomen in het licht en dewarmte.
Dan liep zij het stenen trapje op dat korrelig en warm was onder haar blote
voeten, langs de heg met rode bloempjes.
Even bleef zij staan en kneep in de knopjes die dan een ploffend geluidje gaven.
In de verte stond het vogelbad blinkend wit in het ronde perk met violette verbena's.
Over het nog vochtige gras liep zij er heen en zich over het water buigend stak
zij haar hand er in. Het was lauw en op de bodem was een glibberige aanslag.
Met haar vinger tekende zij er cirkels in.
Door het geheime poortje dat begroeid was het bruinrose klokken en rode lampjesbloemen
liep zij naar het hoogste plateau. Het poortje was waarschijnlijk heel vroeger
aangelegd opdat men makkelijk naar het lager gelegen deel af kon dalen. Er waren
bakstenen treetjes, nu half met aarde bedekt, er groeide mos op de stenen; het
bladerendak met ranken en bloemen was steeds lager gekomen zodat je er nu niet
meer rechtop doorheen kon lopen. De uitgang was half dichtgegroeid met een plant
die er helemaal niet hoorde en daar gewoon maar stond. Zo kwam je bij het prieel
waar zelden mensen kwamen. Heel soms dronken zij daar thee. De wit ijzeren tafel
werd met een kleedje gedekt, krullerige stoelen stonden er omheen, hommels zoemden
in de blauwe klokjesbloemen. Aan weerskanten stonden de grillig gevormde bomen,
die zo oud en moe waren dat sommige takken op de grond rustten. Op bepaalde
tijden verloren zij hun bladeren, waarna zij uitbundig gingen bloeien met sierlijk
rode bloesems en groene knoppen. Hier ook stonden de wonderlijkste bomen en
planten. De oeroude boom die zo opzichtig versierd was met grote oranje kelken
heel hoog in de kroon. Als zij geluk had vond zij er wel eens een op de grond.
Eerst bekeek zij hem van alle kanten, dan werd hij uit elkaar geplukt. Meeldraden
en stamper, alles zat er aan en toch was hij anders. Een beetje spijtig legde
zij de resten bij de stam neer.
Ginds stond de waaierpalm, zo symmetrisch en glanzend rechtop. Hij verbaasde
haar steeds weer opnieuw alsof zij hem iedere keer weer voor het eerst zag.
Op een dag kreeg hij gezelschap van een jong waaierpalmpje dat plotseling aan
zijn voet ontsproot, maar een paar dagen later at een van de paarden het op.
Daarna stond de palm weer heel alleen.
De enige boom waar, het kind in klimmen kon had kale grijze takken waar trosjes
romige, bruin-gele bloemen aan groeiden. Zij verspreidden een zware zoete geur.
Daar lag zij soms op een tak, met een boek of zo maar, met haar armen slap naar
beneden hangend, zich bewust van de omringende pracht. Een mooie wereld, soms
ook wreed.
Zoals toen zij vanuit haar boom een gevecht had gadegeslagen tussen een spin
en een fel oranje wesp. De spinwas, moeizaam zijn roodbehaarde pootjes verplaatsend,
over het gras aangekomen. Tot hij ineens aangevallen werd door de wesp. Geboeid
had zij liggen kijken hoe de wesp zijn felle luchtaanvallen op de spin had uitgevoerd.
De arme had met zijn pootjes machteloos in de lucht gegrepen terwijl de wesp
trefzeker zijn steken toebracht, het dikke achterlijf krommend, tot de spin
met slappe armen en benen roerloos was blijven liggen. De wesp bleef nog een
poosje opgewonden heen en weer vliegen tot hij het veilig achtte met de spin
te gaan sjouwen. Met al zijn kriebelpootjes had hij het lijkje opgepakt en was
er een eindje mee weggevlogen tot de last te zwaar werd. Dan liet hij zijn prooi
vallen, om hem even later weer een stukje te dragen. Waarheen, waarvoor? Wat
had die wesp nu aan een dode spin?
Verderop lagen de stallen, koel onder hoog geboomte.
Daar rook het naar bezwete paardedekens en zwart leer, gemaaid gras en rook
van strovuur en mest. De zakdoekenboom stond er, de reuzenpalm met de zwarte
haren tussen de bladnerven. De paardejongen maakte er bezems van, de tuinjongen
gebruikte het voor zijn stekken en enten.
Verderop de vruchtbomen van de bedienden, de palen met hun vogelkooien in top.
De paarden stonden in de stille middag te suffen met slap hangende onderlippen..
Dat stond zo slordig. Lily gaf er een tikje tegen, maar de lippen trilden wat
losjes na en bleven dan weer hangen. De paarden bleven wezenloos in de verte
staren, door haar komst niet in het minst verstoord. Zij lieten zich strelen
maar of zij er nu wel of niet was maakte geen verschil. Zij bleven dromen met
halfgesloten ogen onder lange wimpers alsof zij aan een heel lang geleden dachten
toen zij nog geen paard waren. Of aan dingen die mensen niet kunnen zien, omdat
zij maar mensen zijn. Het kind leunde tegen de afsluitbomen en wreef haar wang
zachtjes tegen de harde paardewang. Haar hand streelde de zachtfluwelen neus.
Het leek bij de stallen stiller dan overal anders. Misschien omdat er levende
wezens waren waar je gerucht van verwachten kon?
|