Tonke Dragt:
Torenhoog en mijlenbreed. Een toekomstroman
Amsterdam: Leopold, 1969
Ten geleide
Een "toekomstroman" noemde Tonke Dragt dit boek, maar eigenlijk is
het een "verledenroman". In de science fiction keren de beelden van
Sumatra terug, de vragen van de koloniale samenleving, de pracht van de natuur.
Het boek is gelukkig nog steeds te koop: in 2003 beleefde het de negende druk.
Hieronder het eerste hoofdstuk, dat in het boek na de proloog komt.
De koepel
I
'RUIMTESCHIP MORGENSTER ROEPT HOOFDKWARTIER OP VENUS. Ruimteschip Morgenster
roept Hoofdkwanier op Venus.. .'
Edu zat in de kleine ruimtesloep, met riemen vast aan de stoel waar hij precies
in paste. Voor hem glinsterden de wijzerplaten, knipperden bleekgroene lampjes
aan en uit, aan en uit - het enige licht in het donker. Naast hem zat Mick,
in net zo'n stoel, zwijgend als hij, luisterend.
De koele, bekende stem dichtbij: 'Ruimteschip Morgenster roept Hoofkwartier
op Venus. Over.'
Een andere stem, veel zwakker, moeilijker te verstaan: 'Hier Hoofdkwanier op
Venus. Wij horen u. Over.'
Edu deed even zijn ogen dicht. In gedachten zag hij ruimteschip Morgenster,
nu niet als het schitterend vaanuig waar hij de maandenlange reis van Aarde
in had gemaakt, maar als een nietige stip, een miniatuurmaan, die op dit ogenblik
een baan beschreef om de lichtende planeet waar ze naar was genoemd - Venus.
'De aflossing van de wacht,' sprak de stem dichtbij, 'de aflossing van de wacht...'
Edu deed zijn ogen weer open. Bijna was het zo ver! Dan zouden Mick en hij in
deze ruimtesloep het moederschip verlaten, als eerste van de vijf sloepen met
planeetonderzoekers. Daarna zouden onbemande sloepen volgen, met nieuw materiaal
voor het Hoofdkwartier.
Radio Venus antwoordde het ruimteschip: 'Hoofdkwartier is gereed voor ontvangst
van Onderzoekers Elf tot en met Twintig. Onderzoekers Een tot en met Tien zijn
hier klaar voor de terugreis...'
't Is toch wel mooi voor elkaar, dacht Edu. Wij komen, zij gaan. Jammer
alleen dat we elkaar nu niet zullen ontmoeten...
Hoofdkwartier en ruimteschip wisselden de laatste technische gegevens.
'Geen verdere bijzonderheden,' zei radio Venus. 'Alles in de atmosfeer is naar
wens.'
Toen klonk helder de stem in zijn oor: 'Ruimtesloepen met planeetonderzoekers,
attentie! Ruimtesloep A: Planeetonderzoekers Elf en Twaalf.'
Edu antwoordde: 'Onderzoekers Elf en Twaalf zijn gereed in sloep A.' Hij hoorde
zichzelf praten alsof het een ander was - heel kalm, niets te merken van de
ongeduldige spanning die hij voelde. Mick naast hem bromde iets; ze keken elkander
een ogenblik in de ogen, het enige wat ze van elkaars gehelmde gezicht konden
zien.
'Morgenster tot Venus. Ruimtesloep A verlaat het moederschip in precies dertig
seconden na Nu...'
De teller begon te tikken.
'Planeetonderzoekers Elf en Twaalf. Nog vijftien seconden... Behouden aankomst!'
Toen schoot de kleine ruimtesloep naar buiten, het licht in, verliet het moederschip,
gebouwd door mensen op Aarde, miljoenen kilometers ver. .. De afstand tot Venus
was nog maar gering; binnen een half uur rouden ze er zijn, al leek de stem
die tot hen sprak nog uit een andere wereld te komen.
'Hoofdkwartier op Venus roept ruimtesloep A.'
Was dat boven hem of beneden hem? Edu had even moeite te bedenken wat
boven was en wat onder - een gevoel dat hem welbekend was en dat gauw over zou
gaan.
'Hoofdkwartier op Venus roept ruimtesloep A. Over.'
Hij antwoordde: 'Hier ruimtesloep A met onderzoekers Elf en Twaalf. Onderzoeker
Elf spreekt. Over.'
'Is alles naar wens?'
Edu's blik gleed over de knoppen en wijzerplaten. 'Alles is prima.'
'Goed zo,' sprak de stem van Venus. 'Onderzoekers Elf en Twaalf in ruimtesloep
A, blijf contact houden...'
'Het moederschip,' zei Mick, 'kijk het eens glinsteren.' Hij staarde in de achteruitkijkspiegel.
Edu begreep hem. Mick nam afscheid van het laatste stukje van de Aarde, van
thuis.
Vaarwel, ruimteschip Morgenster. En goede reis terug, straks, naar de Aarde.
'Behouden aankomst wensten ze ons,' zei Mick. 'Ze bedoelen daar toch zeker ook
een goed verblijf mee. Behouden aankomst op Venus, de Gevaarlijke Planeet.'
Gevaarlijke Planeet, dacht Edu. Ik zou Venus anders willen noemen...
'Dadelijk komt ruimtesloep B,' zei Mick; 'drie minuten na ons, met Arno en Iman.'
Radio Venus sprak: 'Hoofdkwartier tot ruimtesloep A. U nadert onze dampkring.
Afremming instellen op mijn teken. Over.'
'Ruimtesloep A wacht op uw teken...'
'Sloep A, aftemming instellen op tien seconden na Nu.'
De teller tikte. TIEN... NEGEN... ACHT... En nu, dacht Edu, laten
we de ontzagwekkende, maar ook hartverkillende ruimte achter ons... DRIE...
TWEE... EEN ... duiken omlaag, de atmosfeer van Venus in.
'Ze moesten nu eindelijk eens ophouden Venus de heldere ster te noemen,' zei
Mick. 'Wolken en damp; ik zie niks meer.'
Lichtende wolken, dacht Edu. Hij controleerde de wijzerplaten. 'Mick,
let je op de evenwichtselementen.'
'Alles is in orde,' zei Mick.
Hoofdkwartier riep weer: 'Onderzoeker Elfin sloep A; automatische besturing
laatste etappe instellen...'
De laatste etappe... witte mist overal. .. nu wordt ze grijs... 'Onderzoeker
Elf tot Hoofdkwartier, de automatische besturing is in werking. . .' Maar
nu wordt de mist weer beweeglijk... scheurt vanéén...
Plotseling waren er wnnestralen, nu eens onverdraaglijk fel, dan weer zacht
glinsterend door een waas van regendruppels.
'Hemelse ruimte!' riep Mick.
Er verschenen tientallen regenbogen, als sierlijke bruggen tussen de grillige,
grauwe wolken.
'Zo iets heb ik nog nooit gezien,' zei Mick. 'Ik krijg er pijn van in mijn ogen.'
'Doe ze dan dicht!' zei Edu. 'Maar straks, onder de Koepel, zie je zulke taferelen
niet meer.'
'Het is wel iets bijzonders,' gaf Mick toe. 'Al die spectra, dat gespikkei van
kleuren.
Alleen zijn mensenogen daar niet voor gemaakt.'
De wolken trokken weer naar elkaar toe, maar het bleef even licht als op een
heldere aardse dag met blikkerende zon.
Hoofdkwartier vroeg weer hun aandacht: de automatische besturing moest een fractie
worden bijgesteld. De stem was veel duidelijker nu; en terwijl Edu luisterde
en de aanwijzingen opvolgde, gingen zijn gedachten terug naar andere keren dat
hij in een luchtschip boven een vreemde planeet vloog.
'Wij roepen u weer voor de landing,' besloot Hoofdkwartier.
'Nou, het zit er bijna op,' zei Mick.
'Ja, nog een kwanier, en dan zullen we landen naast de Koepel.'
'En dan zullen we een jaar lang op Venus wonen.'
'Drie Venusdagen,' zei Edu, 'drie Venusnachten.'
'Ik vraag me af wat hier beter is, de dag of de nacht.'
'Ach,' zei Edu, 'als je çenmaal onder de Koepel bent, zul je soms vergeten
dat die op Venus staat.' ,
'Ja, jij weet hoe het daar is; ik moet het eerst nog zien. Pech voor jou, zeg,
dat je voor de tweede keer op Venus bent gestationeerd.'
'Pech?' zei Edu. 'Het is precies wat ik wil. Ik heb er zelf om gevraagd!'
'Wat zeg je?' Micks stem klonk nog verbaasder dan Edu had verwacht. 'Heb je
gevraagd om op Venus te worden gestationeerd? Voor de tWeede keer nog wel? Waarom?'
'Juist daarom,' antWoordde Edu droogjes. 'Ik wist waar ik om vroeg.'
'Je bent gek,' zei Mick. 'Ik heb nog nooit gehoord dat iemand op eigen verzoek
voor zijn plezier naar Venus gaat.'
Nee, jou kan ik het niet uitleggen, dacht Edu. Ook deze collega was
al vol vooroordelen. Maar dat kon nog veranderen, misschien... Hij zei:
'Er is heus wel wat goeds van Venus te zeggen, Mick.'
'Dat is het juist,' zei Mick. 'Op Venus is er te veel van het goede. Te veel
water, te
veel lucht...'
De mist werd weer minder dicht, het licht scheller.
Mick vloekte zacht. 'Zie je wel wat ik bedoel! Te veel van het goeie. Venus
is te dicht bij de zon. Geef mij Mars maar.'
Mars is dor en koud, dacht Edu. Er zijn veel nederzettingen van mensen,
dat is waar.
Maar wandelen moet je door woestijnen. En alles lijkt oud; oud...
'Of de maan,' vervolgde Mick. 'De aardse kant van de maan is bijna één
grote, prachtige stad.'
Een stad! dacht Edu. Dan kun je net zo goed op Aarde blijven. Maar hij zei niets, bleef
gespannen naar buiten kijken. De ruimtesloep was aan het dalen. Kijk toch
eens, Mick; er vallen gaten in de mistbanken onder ons.
Hij hoorde Mick zachtjes fluiten, een bekende deun: '0 Lunastad, 0 Lunastad,
de
Metropool der Maan...' --
Kijk toch eens!
Mick hield plotseling op met fluiten; hij keek inderdaad.
'We hebben geluk,' zei Edu. 'Het is een prachtige dag.' Wat een vreugde was
het,Venus weer te zien!
Golvende zeeën - of waren het heuvels? De kleuren, schitterend als edelstenen,
werden telkens getemperd door flarden van nevel. De lucht om hen heen was als
een zee, met wolken als beweeglijke vissen. Onder hen leek alles ook te bewegen
- eilanden en stromen, waaiende wildernissen tot in wazige verten.
'Nou nou!' zei Mick. 'Het is wel een beetje anders dan de Aarde...'
Ik wou dat je je mond hield, dacht Edu. Voelde Mick nu niets van de betovering
die uitging van de landschappen waar ze overheen vlogen? Of voelde hij het maar,al
te goed en probeerde hij eroverheen te praten - alles met aardse maatstaven
metend, alles bekijkend met aardse ogen.
Toch kon Edu zelf ook niet nalaten aan de Aarde te denken. Daar hoor ik thuis,
hier ben ik vreemd. Maar op Aarde zijn geen wouden meer.
Mick was nog steeds aan het woord, maar Edu luisterde nauwelijks; hij keek,keek...
Daar zijn ze!
|