Suze Geerts-Ronner:
Vacantie in de bergen
Uitgave Nederlandsch-Indische Natuurhistorsiche Vereeniging
Visser & Co, Weltevreden 1926
Ten geleide
Zelfs dames die liever in de lunchroom verblijven dan in de natuur, zullen gevoelig zijn voor het lyrische natuurproza van Suze Geerts-Ronner. Zonder week of sentimenteel te worden, beschrijft zij Java's natuur, en een enkele keer is zij daarbij onverwacht geestig. In de uitgave zijn tekeningen en foto's opgenomen.
Wie er dus op uitgaat, om de planten later te determineeren,
te bekijken en na te teekenen, moet een flinke grote bus meenemen. Heel geschikt
is ook een leeg petroleumblik, dat men door een koelie laat mededragen, doch
hier moet wel wat vochtig mos bij in.
Wanneer men geen bus of blik bij zich heeft, doet men beter,
de planten ook maar niet af te plukken. Wel meer heeft men er aan, om ze dan
dadelijk bij het vinden maar goed te bekijken, liefst met een loupe om ook de
verborgen schoonheden te ontdekken. Het genoeglijkst zou het zijn, bij een mooie
vondst te kunnen gaan zitten, er alles van bewonderend te midden van de natuurlijke
omgeving, op te letten of er insecten de bloem komen bezoeken, welke dat zijn
en wat ze er komen doen. Dan zou misschien een tipje van den sluier opgelicht
worden, die voor ons de beteekenis van vele eigenaardigheden der bloemen verbergt.
Maar dat kost veel tijd en geduld en is in de tropen helaas niet zoo gemakkelijk
uit te voeren als in onze vaderlandsche dreven. Van de koude zullen we hier,
behalve in de vierde zone, bij dit werk geen last hebben, maar muskieten, mieren,
bloedzuigers en allerlei ander gedierte maakt ons het lang toeven op een plekje
dikwijls onmogelijk. Op den grond zitten is vaak uitgesloten, tenminste in het
bosch. Zoo komt het misschien, dat er nog maar heel weinig onderzoekers zich
hebben bezig gehouden met het eigenlijke leven der bloemen hier in onze tropische
gewesten. Daarvoor is het ook noodig, dat men niet alleen de bloemen, maar eveneens
de dieren kent, en wie blijft er lang genoeg in Indië en heeft er over
zooveel tijd te bschikken, dat hij na het verwerven van die reeds zoo uitgebreide
systematische kennis van planten en dieren nig tot tijdroovende biologische
onderzoekingen komt?
Er is daarover dan ook nog nagenoeg niets gepubliceerd,
maar laat dit ons niet verhinderen, te trachten door eigen waarnemingen wat
dieper in het leven, zij het dan maar van enkele planten, door te dringen. Elke
zelf ontdekte bijzonderheid heeft immers voor ons meer waarde dan alles, wat
wij zien, nadat het ons gewezen is.
Wij zullen nu eindelijk onzen botaniseertocht door het
bosch beginnen. We hoeven er volstrekt niet dwars door te tekken - verondersteld
dat het ons zou lukken - maar kunnen gerust op de bestaande paden blijven. Daar
en op open met gras begroeide plaatsen wordt toch hoofdzakelijk gevonden, wat
wij nu zoeken: mooi bloeiende kruiden en heesters.
Omdat onder de boschbloemen, zooals we zagen, witte het
talrijkst zijn, begin ik met de wit, zachtrose en licht-lila bloeiende planten
en wel met een paar echte boschplanten, die een naam dragen, die U niet geheel
onbekend in de ooren klinkt, nl. de Begonia's.
Een aantal soorten van dit geslacht behoort tot onze echte
boschplanten. Aan de typische scheeve, mooi gevormde bladeren zijn ze voor iedereen
te herkennen, ook de niet-bloeiende planten. De mooiste soort is wel die met
de groote roodbehaarde bladeren, Begonia robusta. Waar die plant staat,
valt zij door haar prachtige roode kleur dadelijk op. Op forsche stelen, die
ook geheel rood behaard zijn, verheffen zich de groote bladeren. Wondermooi
zijn de jonge, nog niet ontwikkelde planten. Dat is altijd zoo, en ik kan dan
ook nooit genoeg kijken naar de jonge spruiten eener plant, naar het zoo teere
en prille van de blaadjes aan de vaak reeds forsch ontwikkelde stengeltoppen.
De kenmerken van het volwassen blad zijn overdreven aanwezig, hier bij de Begonia
b.v.: het scheeve van den vorm, de insnijdingen van den rand, de duidelijkheid
van nervatuur, de dichtheid der beharing. Als rood fluweel zien de jonge blaadjes
er uit en de stelen dragen een vuurrooden pels. Later, als de weefsels zich
strekken, worden al die eigenschappen minder sprekend.
Een andere Begonia heeft prachtige groene zijdeglanzende
bladeren en ook hier overtreffen de jonge bladeren weer in glans de reeds volwassene.
Is de roode Begonia robusta een inderdaad robuste bodemplant, de andere
soort, die we hier bespreken, is een heesterachtig gewas (Begonia isoptera).
Bij Begonia robusta zijn de bloemen fraai roze en
zeer welriekend, Begonia isoptera heeft beeldige witte bloempjes, zoo
teer wit, dat het wel doorschijnend porcelein gelijkt. Er zijn mannelijke en
vrouwelijke bloempjes, maar die zijn geplaatst op dezelfde plant. Alleen onder
de vrouwelijke bloempjes ziet men het kantige vruchtbeginsel, dat later uitgroeit
tot een aardig vruchtje met drie gelijke vleugels (isoptera = gelijkvleugelig),
dat openspringt als een orchideeënvruchtje met spleten en vele zwarte zaadjes
uitstrooit. De vruchten van de Begonia robusta zijn niet gelijkvleugelig,
maar één van de drie vleugels wordt hier veel grooter dan de twee
andere.
De Begonia isoptera heeft lange sappige stengels,
die op de knoopen - dat zijn de plaatsen, waar de bladeren zijn of waren vastgehecht
- sterk gezwollen zijn. Dit verschijnsel zien we bij vele boschplanten; het
kan bij deze Begonia zelfs zoo duidelijk zijn, dat de stengelgeledingen
wel op afgekloven kippebeentjes lijken, zooals onze kinderen het uitdrukken.
Op al die aangezwollen knoopen hangt na een regenbui wat water, zoodat de stengel
lang nat blijft.
[pag. 136-40]
|