Daisy E.A. Junius:
'Toetie (Een uitstervend type)' in: Renovalia.Schetsen en novellen
Heelsum: Bureau "Nieuw Vrouwenleven", [1909], pag. 34-47.
Ten geleide
Renovalia is een bundel waarin Indië regelmatig voorkomt, maar het enige Indische verhaal gaat over Toetie. Het verhaal is hier volledig opgenomen.
[24:]
"T O E T I E".
(Een uitstervend type)
Als Toetie niet op de bank of in haar
schommelstoeltje lag, drentelde zij, gewoonlijk op muiltjes en in sarong en
cabaja, door het huis en den tuin, sterk in den rug loopend, de armen langs
de zijden, het zwarte haar in een onverschillige condé, zonder haarspelden.
Toetie vond dat alles in Holland maar veel soesah gaf, de menschen zich het
leven zoo moeilijk maakten. Hoogst zelden en steeds zeldzamer kwam ze uit, maar
ze was altijd van alles volkomen op de hoogte, van nieuwtjes, modes, kroniekjes
- dan konden haar mooie oogen glinsteren van lust:
"Ajo, hoor hier, Meersen..."
En "Meersen" altijd afwerend, sussend:
-"Nu ja, ja, soeda kind, laat de menschen".
Sleutel mandje, zakdoekje, flacon - dat wil zeggen groenglazen-medicijnfleschje
met eau de cologne - en waaier, verlieten haar zomers zelden. 's Winters was
een voetzak met gloeiend kruikje haar eenige waarlijke troost.
Overdaad van japonnen, mantels, hoeden, alles volgens den laatsten smaak, zelden
gedragen, maar dikwijls veranderd!
[25:] Alleen met bijzondere gelegenheden, zooals op verjaardagen, vertoonde
zij zich sierlijk gekleed, alles nieuw, alles ruischend!
Statig in haar omgeving van krakende knakkende zijde, een zweem van wit dons
op de wangen, op het voorhoofd: zachte streeling van den bedakkwast, waaronder
warm haar zuidelijke teint doorschemerde.
Langzaam, het hoofd wat naar achteren, schreed zij hare gasten tegemoet; langs
den glanzend zijden rok gratieus haar klein, teer handje met fonkelenden diamant
in geelgouden ring; tusschen de fijne vingertjes, losjes, als niet vastgehouden,
het zijden zakdoekje, zacht geurend van Indisch reukwater; om de tengere polsen
slangen van goud met briljanten oogen.
Zij was dan meestal een beetje nerveus om de vele gelukwenschen, om het zien
van alle oude vrienden! Als door bella donna de oogen glinsterend, de pupillen
wijder, soms verduisterd door een traan. Een zachte bekoring ging dan van haar
uit, als van een Oostersch prinsenkind, dat in het nevelig Holland zoo misplaatst
is, maar toch haar teere gratie, het mysterieuse harer geboorte in het zuilenpaleis
van haar tropenland, weet op te houden, trots alles, trots voetzak en warme
kruik!
Toetie was onuitputtelijk in het uitdenken van allerlei reisplannen, die echter
nooit ten uitvoer werden gebracht; honderd maal maakte zij Van Meersen lekker,
door hem 's morgens te beloven, 's middags met hem uit te gaan, maar altijd
kwam er iets tusschenbeide, en even dikwijls joeg ze hem schrik aan met een
nieuw verhuisplan; verder was ze vrijwel tevreden als men haar 's winters maar
in haar schommel stoeltje bij de kachel liet, de smalle voeten in den zak van
blank [26:] schapenvacht, Insulinde's klimaat en gewoonten hemelhoog verheffend,
Nederland afbrekend, mopperend op de Hollandsche groenten en vruchten, op de
Hollandsche bedienden vóoral:
"Zoo dom, tso tso zoo dom, ja? Meersen, denk aan onze huisjongen op Timor,
jij weet, jij was toen 1e luitenant en dikwijls bij ons, loh! wat kon hij tafeldekken
en zilverpoetsen en de muren witten, zoo pienter, ja? Hij kon alles en die domkoppen
hier kunnen samen niets, nog niet de muizen achter het behang wegvangen... Meersen!
leg een pil van No. 11; kassian! die arme tikoes!"
In den zomer gelei kokend in de keuken, en ze kon heerlijk koken, met haar fijne
vingertjes bedistelde zij alles zoo keurig, maar er was minstens een half dozijn
pannetjes en schoteltjes en schaaltjes gebruikt vóor het gerecht op tafel
kwam, waarom de meiden dan ook een bezoek van Toetie aan de keuken vreesden,
als het springen van de waterleiding bij vorst. Of, zomers ook, dikwijls het
haar nog nat van het baden, in den tuin bloemen verzamelend:
"Maar die grond in Holland altijd vochtig, kikkerland, ja? Adoe, mijn dij;
Mina hier, neem die schaar, knip die roos voor mij; ajo, meid, lànger
steel! - Hiér Mina, neem al die bloemen, breng binnen, vóorzichtig;
Neen Mina, luister, kom hier, leg ze op het gras, géef mij jou arm, née,
née, jou rechter; allà niet zoo háástig, niet zoo
háástig; adoe mijn dij, dat is niet goed; neem straks die kristallen
bakje, doe er ander zand in, allo wáár is die kajoepoeti? jij
weer weggesleep?... O ik weet al. Kijk boven op de schoorsteenmantel of in de
buffet, loop! - Meersen, steun mij, help [27:] mij op de bank, Mina zal kom
en pitjet mij. Jij zal Mama Meersen moeten aftelegrafeeren".
- "Die zit al een uur in de spoor, lieve meid".
"Loh, zij kàn niet komen, zie jij niet hoe ziek ik voel; ik zal
sterven in jou kikkerland, ik voel mij beroerd, waarlijk waar, Meersen."
- "Soeda kind! wees kalm, gisteren nog heeft Rengers gezegd, dat je gestel
volmaakt in orde is..."
"Rengers wauwelt".
- "Je zit alleen te veel, geloof me, lieve meid, dat is het alleen; zoo,
voorzichtig en laat me eerst even verder lezen..."
"Allemaal wauwelaars hier; waar blijft Mina; ajà, die meid knijp
zoo, mijn lijfmeid, ja? Zij kon pitjetten; jij weet Meersen, als jij moe thuis
kwam van expeditie..."
- "Ja meidjelief, ik weet, maar laat mij nu even deze kolom uitlezen, voor
ik naar het station ga om Mama te halen..."
"Rij dan aan bij Mijnvort en koop kolombijntjes, laat hij die brengen,
twintig, de oude vrouw houdt daarvan zooveel en alles is op; dadelijk brengen.
Ach, ik voel zoo onlekker, kassian. Versche kolombijntjes, Meersen, betaal,
zelf, en garnalen-pasteitjes: twaalf, schrijf op in jou zakboek."
Haar eens zoo ranke heupen begonnen zwaarder te worden en ook de mooie ronde
bovenarmen in de nauwe cabajamouwen werden forscher, bijna te forsch, zij rondden
zich onder het fijne, doorzichtige batist, dat er spoedig strak om zou spannen,
maar haar polsen bleven teer en tenger als vroeger, even als haar mooie enkels.
Kinderen had ze niet en ook nooit gehad, maar haar juweelen, haar çabajaspeldjes
en bloedkoralen, haar [28:] kakatoea, om van den bedakkwast te zwijgen, vergoedden
dat gemis.
Voor Van Meersen was ze "een goeie vrouw," als hij haar maar haar
gang liet gaan, haar niet tegensprak en zich vooral niet mengende in hare kleine,
zich dikwijls herhalende schermutselingen met leveranciers en bedienden, anders
werd zij driftig, ja soms zelfs leelijk driftig:
"Ajo, neen, Meersen, ik ben toch niet een kind, voor wat praat jij dan
naar dat jij wijs ben; ik zal zèlf weten, zóo wil ik niet langer,...
neen..."
Van haar salon had Toetie een magazijn gemaakt, overvol van kleurige handwerkjes
en snuisterijen; een Smyrnasch vloerkleed mille couleurs en groen trijpen stoelen;
de wit porseleinen haard was zomers gevuld met bonte veeren bloemen, een paradijsvogel
liet er in elegante berusting zijn staart langs neerhangen en keek op naar het
rose tarlatan, gerimpeld om de gouden lijsten der geslepen spiegels. Antimakassers
van velerlei kleuren sierden ruggen en zittingen van stoelen, dekten zelfs de
geborduurde vensterbankkussens. In de hoeken Mackartbouquetten, op de tafels
vazen van aluin met wassen vruchten; langs de wanden allerliefste genrestukjes,
verloren tusschen waardelooze oleographieën; op den schoorsteenmantel bronzen
candelabres met tallooze gekleurde kaarsen en bobêches, als altijd stralende
kerstboompjes! Verlangen naar Oostersche weelde van kleurenpracht, overgebracht
op smakelooze, bonte, voortbrengselen van Westersche schijnbeschaving.
Een moeilijk kunnen onderscheiden van dertig-cents-bazaarartikeltjes en kunstproduktjes,
een kinderlijk,een bijna kleinzielig hangen aan nietige prulletjes, welke [29:]
Toetie "beeldig" vond en die haar zorg en haar geluk uitmaakten.
Als Toetie na het eten in dezen chaos haar koffie met kolombijntjes genoten
had, vlijde zij zich op de bank neer en liet Mina komen om haar te pitjetten,
dan stak zij den kleinen voet onder haar sarong uit, liet haar zijden kousjes
zien, greep zich stevig vast met de smalle hand, waarvan het vel een beetje
dor was, en deed bij elke kneep, in climax, het geliefkoosd adoè hooren.
Mina, een melkblanke Friezin, die er in haar katoenen japonnetje met witte muts
zoo prettig frisch uitzag, had in haar goedige hulpvaardigheid en bereidwilligheid
om "mevrouw" te helpen, en in hare kloeke overtuiging van "tsep
faem," dat dit Oostersche mevrouwtje te beklagen was om haar kuurtjes,
bij een der eerste gelegenheden haar duimen als schroeven op den tengerranken
enkel gezet, al haar krachten aanwendend, zelf kleurend van inspanning.
Er had toen een "kleine scène" plaats gehad, bijna was het,
van Toetie's kant, tot handtastelijkheden gekomen.
Ziedend van drift, van machtelooze drift, want Van Meersen had haar uitdrukkelijk
verboden hare Hollandsche bedienden te slaan, had Toetie - instinctmatig gevoelend,
dat zij dus allereerst hare handen in veiligheid moest brengen, maar tevens
iets moest hebben, waaraan zij haar gramschap koelen kon - een sluimerrol bij
het wollen koord gegrepen, in de eene hand, en in de andere een vierkant canapékussen
met zijden strook, als meest voor de hand liggende wapens om er Mina mee te
lijf te gaan; maar deze, door een vlugge zwenking van het lenige, ferme lichaam,
[30:] was handig den aanval ontweken. Nu echter had Toetie haar de kussens nageworpen,
of trachten na te werpen, waardoor de aluinvaas met wassen vruchten, dicht bij
haar op de sofa-tafel, kort en klein was gevallen.
Zij had Mina "rakkert" genoemd, waarom deze een tijdlang volstandig
weigerde mevrouw weer te knijpen; de Friezin deed voor de Oostersche in halsstarrigheid
niet onder en kon Toetie Mina "den dienst opzeggen," Mina had precies
hetzelfde recht, en het Oostersche vrouwtje stond nog niet bekend als een goede
huis- of meidenhoudster.
Van Meersen, die aan beri-beri leed en er alles voor doen, maar er niets voor
laten wilde, genoot dan onderwijl zijn courant of zijn roman en slurpte zijn
koffie, geen spier vertrekkend om het gegil in de andere kamer: het herhaalde
zich eIken avond tusschen zeven en halfacht, doch op dien éénen
namiddag, toen de vaas van aluim haar leven gelaten had. Was hij toch even uit
zijn leeren leunstoel opgestaan, wat langzaam om het gevoel van moeheid in zijn
beenen en met de courant in de eene en een brandende sigaar in de andere hand:
- "Ajo kind..."
En Toetie opgewonden, héél het hartstochtelijke van haar Oostersche
natuur fonkelend in haar diep donkere oogen, het hoofd in den nek, de neusvleugels
trillendt een zeker trekje, aan "Meersen" welbekend, om den mond,
de handen machteloos saamgekneld, de voeten gereed tot trappelent tot stampen:
"Meersen, de rekel, zij moordt mij!"
En Van Meersen vrij kalm:
- "Mevrouw voelt zich wat onlekker; je hebt wat [31:] hàrd geknepen,
ga zoo lang maar naar beneden, Mina."
En zij heftig uitbarstend:
"Onlekker? Ik zou jou met al die appels naar jou hoofd kunnen gooien; onlekker!
Wat bazel jij! Zij heeft mij verbroken, de setan! jij zal zien, ik zal nooit
meer op mijn enkels kunnen loopen, nóóit meer..."
- "Dat is ook niet noodig, lieve meid, we loopen hier in Holland op onze
voeten."
"Ik háát jou Holland!"
En met, voor één seconde, een helle flonkering in het git der
oogen:
"Jij, ja, Mina."
- "Nou ajo, ik zal de deur maar dichtschuiven?"
Soms mokte Toetie nog wel eens na, maar een militaire blik uit Meersen's oogen
bracht haar gewoonlijk weer spoedig in het goede spoor.
Bij hun komst hadden "Willem en
Toetie" zes weken bij de oude mevrouw Van Meersen in Den Haag doorgebracht,
in hetzelfde huis van waar uit Willem als 2e luitenant naar Indië was vertrokken.
In de ruime suite met hooge lambriseeringen en effen vakken, waarop de familieportretten
geschilderd in den stijl van Velasquez met het geslachtswapen in den rechterbovenhoek,
had mama Meersen de laatste minuten zitten tellen, het zwart satin merveilleux
van haar kleed in soepele plooien om haar.
Opeens dicht langs de ramen een vigilante, hoog opgeladen met koffers en collies,
het rijtuig met Willem en Toetie! In het licht der pas ontstoken gaslantaarns
en het wegstervend daglicht, waren de bonte adreskaarten der buitenlandsche
hotels, geplakt op de stevig [32:] geklampte kisten en de bamboemanden, duidelijk
te onderscheiden geweest.
Haastig was zij hen tegemoet gegaan naar de vestibule, waar, tusschen donker
palmengroen, het teere wit marmer van Apollo met zijn lier en Juno met haar
pauw zacht glansde in het licht der vierkante Chineesche hanglamp, door Toetie
eens aan mama Meersen gezonden. Recht tegenover elkaar, als stille dorpelwachters,
de beide eikenhouten voorkamerdeuren: links het kantoor, nog geheel in denzelfden
toestand, als waarin het zich tien jaar geleden bevond bij den dood van haar
man, den oud-referendaris.
Ontroerd had mama Meersen de huisdeur wijd geopend en Willem haastig tot zich
zien komen. Heel haar rustig, vriendelijk wezen had geglansd in den teederblijden
glimlach van het wederzien, de twaalf jaren van scheiding waren weggevallen,
àl het verlangen dier vele jaren had zich geuit in een innigen kus, in
het teeder buigen van het hoofd op elkaar's schouder. Maar terwijl haar lippen
nog glimlachten na zijn kus, hare oogen zich telkens vulden met tranen nu zij
weer in de zon van zijn oogen gestaard hadden, ging zij tot Toetie, die wat
op zij was blijven staan, bij de houten reiskooi van Lorre, en kuste ook haar.
En Toetie's mooie oogen doezelden weg achter haar donkere wimpers, waaraan tranen
trilden; zij moest bij 't binnengaan der suite eerst haar voile opslaan om niet
over den drempel der kamerdeur te struikelen.
Hoog-op brandde het haardvuur, bijgelegd door Hanna, die intusschen de lampen
ontstoken, de blinden en overgordijnen gesloten had, en nu, bij het heengaan,even
omkeek naar "mevrouw's kinderen!"
[33:] Willem en Toetie beiden hadden er vrij eigenaardig uitgezien.
Willem droeg een lichtkleurige overjas, die van achteren bijna tot aan den grond
reikte; een zeer lagen, omliggenden boord - Indisch model -, een rood zijden
halsdoek, in Port-Said aangeschaft en een Italiaanschen slappen hoed met breeden
rand, in Genua gekocht; een paar dikke grof-wollen handschoenen uit Keulen had
het geheel voltooid. Nadat hij zich van een en ander ontdaan had, ging hij voor
den spiegel om zijn reeds dunner wordende haren over zijn kruin glad te strijken;
zijn polsen kwamen te ver uit de korte mouwen van de nauwe jas, die op den rug
rimpelde en nog meer, optrok, als hij zich boog om zijn doorzichtige handen
voor het vuur te warmen.
Naast hem in een langen, zeer wijden, groen geruiten mantel Toetie op haar hooggehakte,
geborduurde schoentjes, waarop zij onderweg met moeite van uit de rijtuigen,
de straatsteenen over, tot in de hotels had kunnen komen, telkens zich de teenen
stootend, zoodat de nerf, dan ook vóór aan de schoenltjes van
het leer af was. Haar japon, hoewel kort voor haar vertrek in Batavia gemaakt,
was twee seizoens ten achteren, maar ze had zich in Keulen laten kappen, en
het geonduleerde kopje een beetje stijf houdend ontdeed zij zich zorgvuldig
van den nieuwen sluier, waarvan de uiteinden recht overeind stonden.
Niet zonder ten slotte toch even te glimlachen had mama Meersen het "reishoedje"
te voorschijn zien komen: een verzameling van verkleurde en gekreukte rozen,
klimop bladeren en geknakte sprietjes.
Zij ging tot Toetie, nam het uit hare handen aan en legde het op een stoel,
toen bracht zij Toetie naar [34:] de sofa bij de theetafel en begon haar enkele
bijzonderheden van de reis te vragen.
Maar Toetie, het mondje ernstig saamgetrokken, de groote oogen wijd geopend
in een zich-nog-vreemd-voelen, antwoordde wat afgetrokken; mama Meersen schoof
haar zachtjes een voetkussen toe en liet haar rustig aan zich zelf over.
Willem, in een gemakkelijken stoel, de beenen naar het vuur gestrekt, liet zijn
blik zoekend rondgaan, dingen waaraan hij in jaren niet meer gedacht had, nóóit
meer gedacht zou hebben, kwamen nu zoetjes nader, héél dicht tot
hem, riepen herinneringen in hem wakker.
Zijn moeder voelde dit weer éénworden met zijn jonge jaren, dit
samenvloeien van zijn vroeger leven met het tegenwoordige, en terwijl hare handen
in zachtbewegen gingen over het porselein, voorzichtig de oude kopjes schikkend,
de kleinste botsing, het minste geluidje vermijdend, genoot zij de liefste oogenblikken
van heel het wederzien; want stille verwachtingen werden in deze momenten tot
werkelijkheid.
Ja, àlles herinnerde hij. zich nog, àlles herkende hij weer, alles
was hem weer lief als vroeger, liever dan ooit, en glimlachend zag hij op naar
de kroon met de tartan ballonnetjes, door hem en zijn moeder van een reis door
Schotland meegebracht.
- "Toetie, bijna al wat je hier ziet, was er al toen ik een jongen was,
en alles is nog even mooi; aan ons hoeveelste servies waren wij ook al bezig...!"
Toetie antwoordde niet, maar het kanten zakdoekje werd om en om gevouwen, het
donkere kopje gegriefd voorovergebogen.
Mama Meersen legde haar hand, waaraan geen [35:] enkele ring, op Toetie's van
juweelen flikkerende handjes en bij de zachte streeling der blanke, koele vingers
zag Toetie op, de mooie kinderoogen vol tranen, de lippen, verdrietig en boos,
halfgeopend, de kin trillend:
"Hij àltijd zoo, ja? Hij altijd: mijn moeder, mijn moeder; vóor
wàt hij altoos mijn moeder? Joh! Is altóós gedoen om die
moeder. Nooit iets gebroken bij ons thuis; ik zeg voor hem ik weet, zij is goed,
ik niet. Ga jij alleen naar Holland, naar haar, ik.. blijf hier; ik niet zoo
volmaak als jou ouwe vrouw..."
Mama Meersen drukt de kleine hand sussend in de hare en schertst, dat àlle
zoons dat zeggen van hun moeders, dat Toetie zich er nièts van mag aantrekken,
dat het maar een kleine domheid is...
Willem knipoogt even, wat verlegen om zijn onhandigheid en Toetie droogt haar
tranen, kijkt dan van onder haar donkere oogharen tot hem op en zegt haastig
binnensmonds:
"Jij àltijd praat naar dat jij wijs ben, jij hoor nou zelf van jou
moeder..."
Maar Van Meersen ergert zich niet en glimlacht goedig om Toetie's vaardigheid
in het nemen van wraak.
Terwijl mama Meersen thee inschenkt en een enkel schertsend woordje zegt, denkt
zij in haar hart, dat Willem wel een zachter vrouwtje met wat meer ontwikkeling
en tact had kunnen meebrengen naar huis; maar dan reikt zij Toetie met een rustig
glimlachje haar kopje en bij het zoo lieve: "Dank mama" en den warmen
blik uit de nog vochtige groote oogen begrijpt ze, dat Willem in weerwil van
al die kleine of grootere "tegens" toch wel gelukkig kan wezen [36:]
met zijn Toetie en dat ook zij van haar zal kunnen houden; maar ook weet ze
reeds op dit oogenblik, dat een voortdurend samenzijn van háár
en Toetie tot de onmogelijkheden zou behooren en evenzoo gevoelt ze, dat Willem
in die vele jaren meer de Indische man van Toetie is geworden, dan Toetie de
Hollandsche vrouw van hem.
Willem en Toetie hadden Den Haag, zoo
dicht aan zee, te vochtig gevonden en Breda tot woonplaats gekozen.
Zij waren zoo nu en dan bij mama Meersen gelogeerd geweest en deze had ook af
en toe eenige weken bij "de kinderen" doorgebracht.
Maar Toetie was steeds minder voor Hollandsche huishoudens gaan voelen, voor
al die Hollandsche soesah, bovendien was ze hoe langer hoe moeilijker uit huis
te krijgen, zelfs voor een kleine wandeling, omdat ze zich dan kleeden moest.
En mama Meersen had zich van haar kant ook nooit recht thuis gevoeld bij de
kinderen. De véle tinka's van dit Oostersche wezentje, de eigenaardigheden
van het Indisch huishouden, de onovertroffen, de weergalooze nonchalance; het
gebruiken van de fijnste damasten servetten als vaat- of stofdoeken als ze "toch
in de wasch moesten," zóó lijnrecht tegen alle begrippen
der Hollandsche vrouw in, de vreemde poespas aan tafel, de eigenaardige geurtjes
in huis: sambal, gebrande bloemetjes, trassie, kajoepoeti- en klapperolie, alles
door elkaar, en de almacht van Lorre, hier in zijn eigen huis, van Lorre, die
met zijn krommen, valschen snavel naar den grond gebogen, niets liever deed
dan op haar aanvliegen, zijdelings [37:] of rechtstreeks, en haar in de laarsjes
of 's morgens als zij pantoffels droeg in de witte kousen pikken, deze liefhebberij
gevoegd bij zijn afschuwelijk ongemanierd geschreeuw en gescheld van vérrek,
hetgeen hij van de matrozen aan boord had geleerd en waarom Toetie, telkens
opnieuw, machteloos van het lachen, tranen schreiend op een laag stoeltje neerviel,
de sarong even opgewipt, de muiltjes hangend aan haar bloote voeten, de handen
om de knieën gekneld om eindelijk tusschen huilen en lachen in:
"Stil booze jongen, dijam!" uit te brengen, een en ander was mama
Meersen wel eens wat heel machtig geworden en alléén de gedachte,
dat het verlof onherroepelijk met elk uur meer ten einde spoedde had haar met
zekere graagte elke nieuwe uitnoodiging laten aannemen en naar Breda doen sporen.
De laatste drie maanden van het verlof zouden Willem en Toetie bij Mama doorbrengen,
een belofte waarin deze zich met gemengde gevoelens verheugde, gedachtig aan
de, vele gevaarlijke momenten bij al hun vroegere bezoeken doorleefd. Zij had
gedacht aan zes weken, doch ze had het aan Willem en Toetie overgelaten en dit
duidelijk bewijs, dat zij gaarne bij baar waren, was in ieder geval met vreugde
door haar ontvangen, geworden.
Zijzelf had het echter de laatste maal in Breda nog al slecht getroffen. Willem
had na langen tijd weer eens last van zijn kwaal gehad: hartkloppingen en benauwdheden,
en Toetie twee nieuwe meiden en veel pijn in haar dij en nu ook in of aan haar
polsen.
Zij, Willem en Toetie, hadden het gedurig ten opzichte van hun eigen en elkaar's
humeur zwaar te verantwoorden gehad, een kleinigheid was soms vol[38:]doende
geweest om Willem te doen opstuiven, en Toetie was er zelfs ook zonder die kleinigheid
wel toe gekomen.
Na veertien dagen had mama Meersen méér dan ooit verlangd naar
haar eigen rustig huis en regelmatige levenswijze en ze had gedacht, dat het
misschien ook beter zou zijn, "ze met hun tweetjes alleen te laten."
Toetie behoefde zich dan niet langer te verbeelden, dat ze het druk met logé's
had en Willem zou zich wellicht wat minder "verwaarloosd" voelen.
En op een avond, Toetie op de bank, Willem in zijn leeren leunstoel achter zijn
courant, 't licht getemperd door een kap, een ongezellig zwijgen rondom, had
ze met een enkel woord van weggaan gesproken; maar Toetie had er niets van willen
hooren.
"Allà neen, mama moet blijf, wij willen samen rijen, ja. en inmaken,
mama heeft mij beloofd?" en levendig tot Van Meersen, altijd met die eigenaardig-duidelijke
uitspraak van de r en het steeds dooreenhaspelen der geslachten:
"Hoor Meersen, morgen toeren, een mooie rijtuig, mooie paarden, de mooisten,
ja? Naar Prinsenhage of Ginneken, loh! zoo lief, ja?"
Maar "morgen" voelde Toetie zich ziek, heelemaal beroerd, de nieuwe
keukenmeid moest weg, die was brutaal geweest, had op een verward commando van
Toetie geantwoord:
"Doe 't zelf."
"Ik had haar een rammeling kunnen geven, lamme meid; kan ook geen rijst
koekoesen, altoos te gaar; ik kàn die meid niet meer hou, ik wil ook
niet. Ajo Meersen, zeg niet mijn salah weer; hoe kan zoo'n meid blijf, loh!
Zij wandelt in mijn tuin, eet al mijn abrikose [39:] op: akoe lihat sendiri!
Ik kán zien, zeg ik voor jou. Jij moet een nieuwe zoek. Vandaag dádelijk...
O, néén, praat niet meer met mij, och, ik zoo sakit in mijn kapala!
Morgen kunnen wij rijen..."
Morgen regende het:
"O, O , wat een land."
Maar overmorgen wachtte Toetie in een kostbaar toilet voor het raam, de groote
briljanten zwaar neerhangend in de kleine ooren, het donkere hoofd met de fluweelige
teint, tot over de zware haarwrong weggedoken in de tullen doffen van den wijden
kraag; een hoed van witte veeren en pluimen, van paars zijden fluweel en zilveren
pailettes; ongeduldig trappelend met de hooggehakte laarsjes van satijnleer,
waarop de balayeuse van zijde en kant neerhing, bij elke beweging van Toetie's
voeten even opgolvend en zacht ruischend; de poppenhandjes in lange witglacé
handschoenen, het kinnetje schuil in een witte voile, van onderen in veel plooien
saamgenomen, zoodat alleen de donkere neklokjes te zien: waren; in den arm een
kleine pelerine vol schitterende.: lovertjes en gazen ruches; de rechterhand
steunend op, den ivoren stok van haar parasol, vol strikken en volants:
"Zoo sajang - altijd zoo, ja? Altijd laten wachten; ik houd niet daarvan,
mijn pleizier gaat weg; ga jij in de deur kijk; wach, ik zie al in de spion,
allo nou! Eén paard wit, éen zwart, daar rij ik niet mee. Ik doe
het niet. Meersen; neen, ik zeg jou, ik doe het niet. Stuur die koetsier terug,
is hij gek, wat denk hij van ons?"
- "Kind, niet zoo dwaas..."
"Lieve Meersen, ik bezweer jou, Mama wil ook niet; o, ik wéét,
Mama?"
[40:] "Och, Toetie, waarom niet, 't zijn mooie paarden..."
- "Wel natuurlijk, lieve meid, 't is op z'n Engelsch..."
"Mooie paarden, op z'n Engelsch... ik bedank jou voor zulk Engelsch...
en haar manteltje driftig op tafel gooiend:
"Ik zeg jou, nóoit zóo gerij..."
"Dán dóe je het nu voor 't eerst. . ." het leeg gedronken
portglas wordt zóo heftig neergezet, dat de ranke steel knapt en de kelk
in scherven op het blaadje valt.
Van Meersen richt zich hoog op, zijn oogen flikkeren, zijn door de beri-beri
een weinig opgezet gezicht wordt rood, zijn schouders schijnen zich uit te zetten,
terwijl zijn armen recht neerhangen langs zijn gekleede jas; het kleine donkere
vrouwtje tegenover hem in haar gewolk van tulle en zijde, weet dat zij geen
streep verder heeft te gaan, weet ook hoe slecht die drift op zijn gestel werkt,
ze overwint zich in zoover, dat ze haar manteltje weer van den stoel grijpt,
en - zonder Mama te laten voorgaan - stapt ze in het geritsel van haar nieuwe
kleeren het huis uit, de kleine steenen over, naar den landauer, waar de koetsier
wacht en het portier met beleefden groet voor haar opent; maar het hoofd in
den nek, de lippen boos, meer omgekruld dan gewoonlijk, vóór zich
uitstarend als was geen ander in de nabijheid, stijgt ze majestueus in, neemt
plaats als een prinses en schikt haar toilet rond zich.
Ook de oude mevrouwen Van Meersen zijn gevolgd.
"Belom lihat binatang begitoe" zegt Toetie rad, terwijl de koetsier
het portier sluit. De man voelt dat ze op hem doelt en ziet onwillekeurig even
op, maar [41:] dan treft hem een blik uit Toetie's violet donkere oogen, die
hem den zijne haastig doet neerslaan.
Mama Meersen kijkt den anderen kant op, naar het plantsoen, doch Van Meersen
wendt zich plotseling geheel tot Toetie en zegt, met gestreng en blik:
"En nou soeda!"
Terwijl de paarden aantrekken, zwenkt Toetie even achterover, dan draait ze
haar parasol boven zich rond en terwijl de zachte, roode weerschijn haar gezicht
bestraalt, vraagt ze vriendelijk, op dien zoet-zangerigen, altijd verkeerd geaccentueerden
toon:
"Mama zit goed, ja?" en tot Van Meersen:
"Móóie wagen!"
Gedurende heel den rit babbelt ze opgewekt voort, de oogen glanzend, ze sluitend
nu en dan in weelderig welbehagen!
Willem wijst zijn moeder op enkele gebouwen, op een kerk, op de academie, op
het badhuis.
- Neen, Toetie gaat nooit naar de kerk, zij kan geen orgelmuziek hooren zonder
te schreien, en:
"Léélijke badhujs hier, loh! Véél prettiger
baden in Blauwwater, ja? Meersen? Kijk om, mama, dáár, mevrouw
Louwe, pas, uit den Haag hier gekomen; mama weet nog niet die historie? Ajo
Meersen, waarvoor jij nou niet een Asmodée gekocht? Niet héélemaal
fatsoenlijk die vrouw" - en mama Meersen wordt op een geheimzinnigen fluistertoon
een lang relaas gegeven, waarvan zij geen woord zal kunnen na vertellen en dat
haar dan ook in het minst niet interesseert. Maar Toetie fluistert voort, nu
eens met groote oogen, dan in een zacht gesmoord schaterlachje of op ernstig
afkeurenden toon.
[42:] "Allà nou, wéér al die kleine setans om Lorre",
roept Toetie, zoodra zij bij hun terugkomst een opstootje van kinderen, afkomstig
uit de naburige steeg, voor de ramen van haar huis ontdekt. Maar zij moet toch
lachen bij het springen en dansen, het armgezwaai en gejoel der kinderen, en
als één bij ongeluk het ijzeren hek, dat op een meter afstands
van hun huis is geplaats, loslaat en onverhoeds achterover tuimelt, juicht ze
het uit, in de handen klappend; doch nog dichter bij gekomen verdwijnt de lach
om haar mond en even slaat ze een verschrikten blik op Willem, of ook hij al
gezien heeft?
Lorre, te dicht bij het raam geplaatst, heeft de kanten gordijnen reeds vrijwel
aan flarden en steeds méér opgewonden en driftig door het geroep
en gesar van de kinderen voor het raam, rukt en vliegt hij van den eenen kant
van zijn kruk naar den andere, van rechts naar links en terug, heen en weer,
trekkend en plukkend aan het eene gordijn en aan het andere, dan zijn kuif opzettend,
den kop heftig op en neer bewegend, de vleugels klepperend tegen zijn stok,
scheldt en tiert hij tegen de onvermoeide plagers buiten.
Nu opeens weer zoet en vriendelijk en héél duidelijk; "Koppie-krauw?
Kà-kà-toe-à? Koppie-krauw?" Schijnbaar geen acht gevend
op de kamermeid, die verhit en gejaagd, hem telkens tracht te naderen om de
kruk bij het ronde onderstel, zwaar van het witte zand, terug te trekken. Zoodra
zij echter te dicht komt; buigt Lorre zich verwoed voorover of slingert zich
zoo ver hij kan, aan zijn ketting, naar omlaag, begeerig haar eenjge welgemeende
pikken in muts of wangen toe te brengen; dan weer, als de meid voor een oogenblik
aflaat, werkt hij zich vlug naar boven, richt zich hoog[43:] moedig op, wendt
zich opnieuw tot de kinderen, en het rukken en trekken, heel het rumoer begint
van voren afaan.
Toetie is het rijtuig uit, vóór Willem nog zijn beenen tot zich
heeft kunnen trekken; een paar haar in den weg tredende kinderen worden fluks
opzij geschoven, één kleine keert ze, onder het haastig voortgaan,
handig met haar parasol de stoep af, zooals een ander een aangewaaid papier
zou verwijderen, de meid, die het rijtuig heeft zien stilhouden en de deur is
komen openmaken, ijlt ze voorbij de kamer in, en vóór Lorre op
iets verdacht is, heeft hij een klap op zijn kop gehad, die hem doet duizelen,
en zijn de gordijnen van hem weggetrokken. Met beide handen haar japon hoog
ophoudend om vrijer in haar bewegingen te zijn, stoot ze met haar rechtervoet
hem met bak en al een eind opzij:
"Adoe jij nakkal, kleine setan."
- "Nou, nou lieve meid," zegt Van Meersen binnenkomend, "wees
voorzichtig, maak hem niet dood..."
"Ik zal zijn nek omdraaien," is haar heftig antwoord.
"Wáár is Rika?"
Van Meersen neemt een glas en een halffleschje port mee naar de waranda, schuift
de glazen tusschendeuren tegelijk dicht en, gaat in zijn bamboe reisstoel, achter
het breede muurvlak zitten, terwijl mama Meersen zich gelukkig rekent in ééns
door naar boven, naar haar kamer te kunnen gaan.
Lorre vraagt:
"Koppiekrauw?",roept nog even "vèrrek!" vleit weer:
"koppiekrauw?" buigt en groet op zijn kruk, maar Toetie gaat de kamers
door, hier haar pelerine, daar haar parasol of handschoenen neerwerpend:
"Altijd zoo met die meiden, ik kan nog geen uur [44:] uit, loh! Geen van
tweeën wil ik langer houden. Hoe kàn ik weer uit...?"
's Avonds zit Toetie, met de courant voor zich Lorre klontjes te voeren; zij
leest van de wedrennen in Clingendaal en wil er heen, ook wil ze naar een café-chantant
in Seinpost - maar vóór alles moeten ze het panorama en het panopticum
in Amsterdam gaan zien!
Bij het woord wedrennen heeft Willem, die er vroeger gaarne heen ging, even
over zijn boek heen, den kant van Toetie uitgezien, maar verder heeft hij niet
geluisterd; ook mama Meersen heeft slechts nu en dan, uit beleefdheid, zonder
eenig enthusiasme geknikt; want als het avondblad straks dichtgevouwen is en
Toetie het doosje met de "jaskaarten" en fichjes gekregen heeft, om
bijtijds "aan den slag te gaan" en Willem zoo mogelijk eenige gobangs
af te winnen, is zij ten opzichte van alle wedrennen, café chantants
en panorama's weer even onverschillig als Lorre zelf, die nu rustig in zijn
koperen ring heen en weer schommelt en de pisang oppeuzelt, hem door Toetie
gereikt.
Het zoo lang mogelijk gerekte verlof
is ten einde; óók het jaar buiten bezwaar van den lande is vóorbij;
Toetie en Willem zijn weer reisvaardig.
Toetie, ongemakkelijk in haar dikke reiskleeren, trekt gedurig de schouders
eens op onder den zwaren wintermantel. Zij heeft juist aan mama Meersen voór
de laatste maal het verhaal gedaan van de andere Lorre van Kakki, die bij hun
komst uit Indië op de landreis gestorven is.
"Ach, de tweede dag hij dóód! Hoe gegaan? Ik wéét
niet; misschien hij zich verdoen in de ketting, ja? Meersen?"
[45:] - "Welneen lieve meid, maak dat je zelf toch niet nog langer wijs,
't was natuurlijk van dien nacht buiten, op dat balcon... Wees, nu op de terugreis,
maar voorzichtiger met no. 2."
"Kassian, die arme dier, het was te koud voor hem geweest, denk ik?"
Ze zucht, meewarig het hoofd op en neer bewegend, mama Meersen geeft vriendelijk
ook háár leedwezen met het geval te kennen, maar werpt tegelijk
een blikje naar Lorre, in zijn reiskooi door Toetie op een stoel geplaatst,
om vooral niet vergeten te worden.
Willem loopt heen en weer, de zakken van zijn lange overjas navoelend of hij
niets vergeten of hij wel lucifers en een voldoende aantal sigaren bij zich
gestoken heeft.
Toetie, nu niet meer in gesprek, wordt steeds zenuwachtiger, telkens vullen
haar donkere oogen zich met tranen, soms barst ze even uit in snikken en plotseling,
in een edelmoedige opwelling van haar goedgeefsch hart, besluit ze Lorre aan
mama te laten, op die wijze schitterend vergeldend alle keeren, dat ze eens
niet aardig is geweest:
"Zoo'n goeie ouwe vrouw, ja? Altijd zoo alleen, Lorre kan haar gezelschap
houden."
- Maar mama Meersen pleit, glimlachend, met zachten drang voor Lorre's afreis.
Doch Toetie houdt aan.
Pas als ook Willem zegt, dat het voor mama, niet gewoon aan papegaaien, maar
lastig zou zijn, laat Toetie zich eindelijk overreden; maar als het rijtui~
voorrijdt, trekt ze haastig een harer mooie juweelen ringen van haar middelvinger
en mama Meersen's hand kussend, schuift zij den ring aan den slanken pink:
[46:] "Altoos dragen, mama, ja? Van Toetie! Goeie moeder geweest!"
Dan knelt zij zich aan de oude vrouw vast, kust haar voorhoofd, haar wangen,
haar mond, totdat Van Meersen haar zacht opzij moet schuiven om zelf afscheid
van zijn moeder te kunnen nemen. En als Toetie snikkend in het rijtuig zit kan
Lorre op de bank tegenover haar kopjes geven zooveel hij wil, zij let er niet
op. Haar hart is bij mama Meersen.
"Kassian, die goeie ouwe vrouw, zoo alleen achterblijven; zij had met ons
moeten gaan, Meersen?"
Mama Meersen heeft het rijtuig met
haar kinderen zien wegrijden en is neer gezonken in haar grooten leunstoelj
zacht weent zij nu uit in het koele wit van haar fijn linnen zakdoek.
Zoo velen heeft zij reeds zien komen en gaan, men moest aan dat alles gewoon
raken, maar dat is niet zoo, het scheiden valt telkens zwaarder; want velen
gaan, maar keeren niet weer.
Lang blijft het stil, doch dan staat zij langzaam op en gaat zoetjes naar de
gesloten tuindeur.
October!
De groote bladeren der rhabarberplant liggen slap en verwaaid over de zwarte
weeke aarde van het ronde perkje, de wandelpaden zijn bedekt met afgevallen
bladeren, die aan de kiezelsteentjes, kriekeltjes, zooals Toetie zei, kleven;
enkele verdorde ranken van den wilden wingerd zijn tegen de ramen gewaaid en
er door de vocht vastgekleefd, aan blijven zitten; de kale seringestruikjes
beven onder het watergedruppel, het nat siepelt en lekt van het zwart-glanzende
eiloof aan den muur en van de vlier, nog geheel groen, maar [47:] donker en
zwaar na al den regen. Een huivering vaart door struiken en boomen, doet opnieuw
een dwarreling van gestorven bladeren omlaag komen.
Mama Meersen droogt haar tranen. Haar ziel is vol droefheid om het afscheid,
doch er is ook een gevoel van vrede en rust in haar. Zij heeft Willem mogen
terugzien en er zijn oogenblikken geweest van groot genot, zij heeft Toetie
leeren kennen en is van haar gaan houden; maar zij gevoelt zich toch gelaten,
ja zelfs verlicht, omdat Toetie en Willem geen Hollandschen winter meer zullen
meemaken, met al het getob van winterhanden voor Toetie en rheumatische pijnen
voor Willem, maar integendeel hun heerlijk, weelderig Insulinde tegemoet gaan,
waar ook zelfs Lorre wel spoedig al het geleden gebrek zal vergeten zijn.
|