Yvonne Keuls:
Madame K - Van Indisch kind tot Haagsche dame
Ambo, 2001
Ten geleide
"Terugkijkend op mijn leven, lichten er dierbare momenten op." Met
deze zin begint het boek, dat deze dierbare momenten chronologisch beschrijft.
Een overzicht van een bijzonder leven, tot dusver, want wie Yvonne Keuls eens
heeft ontmoet, weet dat er nog veel op komst is. Onderstaand het eerste hoofdstuk.
1931
Toen ik in 193 in het toenmalige Batavia ter wereld kwam, was mijn oudste
broer zestien jaar en mijn zus elf. Mijn moeder Jopi was veertig en mijn vader
Samuel vijfenveertig. Ik was hun vierde en laatste kind, een nakomertje, en
waarschijnlijk de grootste schrik van hun leven, want ze hadden al zo'n nakomertje,
mijn jongste broer, die inmiddels twee jaar oud was en door mijn moeder zo schandelijk
was verwend, dat er twee baboes aan te pas moesten komen om het ventje de godganse
dag zijn zin te kunnen geven.
Het liefst had mijn moeder al haar kinderen namen gegeven met een diepere betekenis,
namen waaraan ze hun toekomstige daden, gedachten en gevoelens kon toeschrijven.
Mijn vader wilde familienamen.
Mijn, moeder echter gruwde van de namen die de acht broers en zusters van mijn
vader als bijbelboeken met zich meezeulden. Leah, Rebecca, Esther, Ruth, Jona,
Jozua, Daniël, Job en mijn vader Samuel moesten altijd aan iedereen uitleggen
dat ze inderdaad van joodse afkomst waren.
Uiteindelijk kwamen mijn ouders tot een compromis. De kinderen Bamberg zouden
gewoon keurige, Hollandse namen krijgen. Namen die niemand aan het denken zetten.
Namen zonder verwijzing, zonder bijgedachten.
De astrologie was er de oorzaak van dat mijn vader bij zijn laatste kind van
dat plan afweek. Hij gaf mij bij de burgerlijke stand aan als Yvonne omdat hij,
toen hij daar voor het loket van de ambtenaar stond, zich plotse ling herinnerde
wat die naam betekende: 'strijdster met de iepenhouten boog'.
Boogschutter dus. En ik wás een Boogschutter, een decemberkind, geboren
op de zeventiende van die maand, 's morgens om zeven minuten over vijf. Daar
was niets tegen in te brengen. Maar van enig vooroverleg met mijn moeder was
geen sprake geweest en dus was de verrassing voor haar groot. Zo groot, dat
ze meteen haar twijfels bij mijn naamgeving had.
Zij wist namelijk dat de vrouw van mijn vaders chef een beeldschone blondine
die bij officiële gebeurtenis sen nou niet direct onopvallend naar mijn
vader lonkte - Yvonne heette en zij wist ook dat mijn vader op het morele vlak
net zo betrouwbaar was als alle andere mannen. Hij deed het voorkomen alsof
hij zich gewetensvol aan het negende gebod hield: Gij zult niet begeren Uws
naasten huis, Uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd,
noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets wat Uws naasten is, maar alleen wat
betreft die knecht, die os en die ezel was mijn moeder er zeker van dat hij
dat gebod ook werkelijk nakwam.
Toen mijn moeder van mijn naam hoorde, werd ze niet boos, ze ging niet tekeer,
ze sprak zelfs haar twijfel niet uit. Ze zei geen woord. Ze had echter meteen
haar tegenzet bij de hand. Ze besloot eenvoudigweg mij nimmer bij die naam te
noemen.
Binnen tien minuten doopte ze mij om in Angin, wat in het Maleis 'wind' betekent,
en zij verklaarde wijs en poëtisch: 'Want de wind neemt de verhalen mee.
Kabar angin betekent: "gerucht" - het kan waar zijn, het kan niet
waar zijn - of: "verhaal dat op de wind wordt gedragen".'
Angin, kind van de wind...
'Niet de vader, maar de moeder moet het kind een naam geven,' zei mijn moeder.
'De moeder kent alle bewegingen van het kind, al van vóór de geboorte.
De moeder kan zeggen wie het kind is, welke betekenis de naam moet hebben. Wat
heeft mijn dochter nu aan een naam die betekent: strijdster met de iepenhouten
boog? Wat heeft mijn dochter aan een iepenhouten boog? Waarom zou zij moeten
gaan strijden? Aan haar bewegingen weet ik dat mijn dochter later verhalen gaat
vertellen, en daarom noem ik haar Angin. Want zo gaat dat. Je wordt nu eenmaal
wat je naam zegt dat je bent. Daar is niet aan te ontkomen.'
|