Jeanne Reyneke van Stuwe:
Met den Handschoen, Indische schetsen
Amsterdam: L.J. Veen, 1915
Ten geleide
Bang van al het nieuwe dat haar nieuwe Indische leven haar zal bieden, arriveert
Betty, het 'handschoentje'in het nieuwe land. Daar wacht de confrontatie met
haar bruidegom Hans....
[5:] Met den Handschoen.
Zij zaten in de achtergalerij aan het ontbijt: Gina, haar man en haar zuster
Betty. Frits praatte vroolijk, en plaagde Betty, maar Gina zag heel goed, hoe
nerveus Betty was, en hoeveel inspanning het haar kostte, om Frits met een enkel
woord of een flauw glimlachje te toonen dat zij hem had verstaan. Zij gaf Frits
soms een waarschuwend oogwenkje, maar Frits deed opzettelijk, alsof hij het
niet bemerkte, en schertste door. Wat drommel! die aanstellerij, die affectatie,
om je eigen man niet dadelijk te willen zien, en eerst je intrek bij je schoonbroer
en zuster te nemen. Belachelijk! die heele comedie . . . om een boot vroeger
te gaan, dan Hans haar verwachtte; alleen maar, [6:] zooals zij voorgaf, om
eerst wat te "wennen" aan het vreemde land, de taal, de gewoonten,
de menschen. . . O, een paar dagen maar! had zij geroepen, alsof zij smeekte
om uitstel van executie, méér is niet noodig. . . maar o, zoo
onbekend met alles aan te komen bij Hans, voor alles vreemd te staan. . . voor
Hans kan dat immers ook niet prettig zijn, me zoo verbijsterd te zien. . .
Onzin! Onzin! hij, Frits, vond het gruwelijke nonsens, en hij geloofde van al
haar praatjes dan ook maar juist, wat zij niet zei, namelijk dat zij bang was
voor Hans, omdat zij niet genoeg van hem hield.
Toen hij dat, op den avond van Betty's komst, vrij bruusk tegen zijn vrouw had
gezegd, had Gina het ten sterkste ontkend. Betty had Hans lief, daar viel niet
aan te twijfelen, zij had het in alles gemerkt. . . Dan is 't zeker verlangen
van haar geweest, dat ze eerder [7:] is gekomen, had bij gespot. Hij, als man
kon het zoo goed begrijpen, hoe teleurgesteld Hans moest zijn, door te ontdekken,
dat zijn vrouw, want zij was nu toch zijn vrouw, niet onstuimig naar hem smachtte,
zooals hij natuurlijk deed naar háár. . .. Maar Gina had hem lachend
den mond gesloten en gezegd, dat hij van al die vrouwelijke subtiliteiten niets
begreep; zij wèl, zij kon Betty's gevoel heel goed meevoelen; zij had
altijd zoo'n medelijden gehad met die arme "handschoentjes", die daar
aankomen, angstig, ontredderd, een beetje vervreemd van hem, die zonder bruidstijd,
zonder verloving bijna, opeens haar man is geworden... Zij vond het heel natuurlijk,
dat Betty wenschte uit het huis van haar zuster ten huwelijk te worden gegeven,
. . veel eigenaardiger, . . Maar al haar spreken had toch niet kunnen beletten,
dat hij Betty bleef plagen, en gekheid met haar maken, en [8:] haar vervolgde
met toespelingen op dingen, waarvan zij niet wilde hooren. .
Welja, daar zat die arme jongen, afgezonderd op Padjarakan, en keek de scheepsberichten
na, - terwijl zijn vrouw al hier was, vijf dagen al, en alleen op zijn ernstig
aandringen aan Hans geschreven had, dat hij komen kon. . .
Vandaag zou het zijn. .
Naast Gina, in den tafelstoel, zat Fritsje, de kleine kerel, en hapte gretig
de lepeltjes nassi tim, die zijn moeder hem voerde. Het zilveren kommetje was
nu leeg; Gina veegde Fritsjes mondje met zijn servetje af:
- Ajo, baboe, neem Njootje. . .
De baboe rees op van haar matje, en tilde het kind uit den stoel, het even brengend
naar Betty, tot wie het kraaiend de handjes hield uitgestoken. Maar Betty nam
geen notitie van hem, zij weerde hem af, zonder naar hem te kijken, en de baboe
fluisterde tegen het kind:
[9:] - Kasian Njootjie . . . njonja marah . . .
terwijl zij het sussend weg droeg. Frits begon luid te lachen.
- Wacht maar... 't volgend jaar, : dan heb je er net zoo een!
- Man! waarschuwde Regina, die Betty bloedrood zag worden, en om haar af te
leiden, begon zij haastig te vertellen van de suikerfabriek Padjarakan, waar
Frits en zij zoo prettig bij Hans hadden gelogeerd. O, hij heeft zoo'n gezellig
huis, Betty, je zal wel zien, heelemaal wit, met 'n dubbel bruin dak, en 'n
kleine galerij,'t is een beetje nieuwerwetsch, weet je, typisch leuk. . . En
hij is zoo goed met de andere employé's... Als de maaltijd voorbij is,
gaan al de heeren en dames dikwijls picnicken naar 't meer van Klakah, of 't
meer van Ranoepakis. . .
Dan gaan ze eerst baden...
- Baden? vroeg Betty, met dat verbijsterde air, dat Frits altijd zoozeer [10:]
vermaakte. Ook nu weer kon hij zich niet weerhouden, en barstte opnieuw in lachen
uit.
- Ja, vertelde Gina, dat is goddelijk, 'n bad in zoo'n meer... alle dames doen
't Padjarakan ligt ook dicht bij Loemadjang, mooi is 't daar, hè man?
al die sawah's en tabaksvelden en koffietuinen. . .
- Ja, zei Frits, O, je zal daar genoeg hebben te zien. Loemadjang ligt maar
twaalf paal van Padjarakan.
" - Paal? herhaalde Betty.
- O, dat weet ze weer niet, schaterde Frits. Luister, ik zal 't je zeggen. 'n
Paal, 'n Java-paal dan altijd, is ruim anderhalve Hollandsche mijl. 'n Sumatrapaal
is langer. Je loopt in 'n uur zoowat vier Java-palen, en maar drie Sumatra-palen.
. . :
Hij keek op zijn horloge.
-'t Is tijd, zei hij, en tot den huisjongen: Ali; soeroe koesir passang.
[11:] Er ging een schok door Betty heen.
Zij werd heel bleek. Frits zou naar den trein gaan, om Hans af te halen. Als
een gunst had zij verzocht, om Hans hier, en alleen, in de voorgalerij te mogen
ontvangen. Over anderhalf uur. . .
over een uur... zou Hans tegenover haar staan... en ... o, zij was nog niet
genoegzaam voorbereid om hem te ontvangen. . .
- Ga maar naar voren, zei Gina goedig, toen Frits vertrokken was, begrijpende,
dat Betty er nu behoefte aan had, even met zichzelf alleen te zijn.
- Ga jij je dan kleeden? vroeg Betty. Zoodat je dadelijk komen kan als ik je
roep?
- .Ik zal wel komen, hoor, zei Gina, maar Hans heeft me wel 's meer in sarong
en kabaai gezien, kleeden hoeft niet, verbeeld je!
Betty antwoordde niet. Zoo vreemd was haar alles; die vijf dagen na haar [12:]
aankomst waren haar als een droom voorbijgegaan. Zoodra zij aan de reede van
Batavia in de verte de blauwe bergen had zien opdoemen, wist zij, dat nu de
groote verandering in haar leven begon. Zij had haar zuster verzocht, bij haar
een paar dagen te mogen doorbrengen, opdat zij niet, zonder eenigen overgang,
van boord dadelijk met Hans behoefde mee te gaan. .. Zij hield van Hans, o,
natuurlijk! anders had zij toch nooit voor hem haar lieve ouders en haar land
en alles verlaten. . . maar. . . door de lange afwezigheid waren zij elkander
ontwend, en zij zou zoo gaarne weer geheel eigen met hem zijn geweest, vóór
hij haar tot zich nam als zijn vrouw. . .
Zij was veel liever in Indië getrouwd, maar haar vader weigerde haar anders
dan gehuwd naar Indië te laten gaan, ook Hans verlangde het, en zij begreep
het zelve óók wel, dat haar "mevrouw[13:]zijn" haar
zou beschermen tegen allerlei ongewenschte kennismakingen. Zij had dus toegestemd,
maar met deze, door Hans niet geweten restrictie, dat zij een week vroeger zou
gaan, en zoolang logeeren bij haar zuster.
O, wat was zij blijde geweest, toen Frits en Regina, en niet Hans, haar afhaalden
van de boot. Zij had werkelijk niet geweten, hoe zij zich had moeten houden,
en zij kon een ander "handschoentje" niet begrijpen, die zich, bijna
snikkend van blijdschap, ten aanzien van iedereen, wierp in de armen van haar
man. . . Zij had Hans lief, zij was volkomen zeker van zichzelve. . . maar.
. . Zij stond in de voorgalerij, onrustig, met gejaagd kloppend hart. Zij, in
haar modieuse robe d'intérieur van rose crêpe de Chine met een
tuniek van zwarte Chantilly, en met een satijnen vest, dat sloot met gitten
knoopjes, voelde zich zonderling misplaatst in deze Oostersche [14:] omgeving,
waar de natuur, de atmosfeer, de menschen, de kleeding, de maaltijden zoo anders
waren, dan zij het altijd gewoon was geweest. . . Nog keek zij alles met verwonderde
oogen aan, nog voelde zij zich als een vreemde tegenover taal en gebruiken,
maar Gina troostte haar: dat wende zoo gauw. . .
En zij wist ook wel, dat dit alles haar weldra niet meer vreemd zou zijn, dat
zij er spoedig mee vertrouwd raken zou, als maar niet. . . als maar niet dat
andere, ergere er bij kwam: de vrouw te moeten zijn van een man, wiens innerlijk
en uiterlijk wezen haar door de lange scheiding oneigen geworden was. . .
Was het onnatuurlijk, ongevoelig, dat zij zoo dacht? En begreep haar niemand
hierin? Regina was heel hartelijk voor haar geweest, en had zelfs gezegd, dat
zij verstandig had gedaan met eerst bij háár te komen. . . maar,
toen [15:] Frits er op aandrong, dat zij schrijven zou aan Hans, was Gina toch
van dezelfde opinie geweest, namelijk, dat het nu tijd werd. . .
Zoo dadelijk zou Hans voor haar staan, en zij zou alleen met hem wezen.
Wat moest zij zeggen? Hem smeeken haar nog een paar dagen te gunnen, enkele
dagen maar. . . vóór hij haar bij zich kwam halen voor goed? O,
als zij maar durfde. . . als zij hem maar duidelijk kon maken, dat de overgang
te groot voor haar was, te plotseling, te ruw. . .
Zij schrikte op bij ieder geluid, dat zij hoorde op den verren weg. Maar Hans
kon het nog niet zijn. Nerveus, zonder te weten, wat zij deed, bladerde zij
in een tijdschrift op tafel: Picturesque Java; gedachteloos bekeek zij de afbeelding
van een mooi Indisch meisje "Girl in everyday dress" een plaat van
een basrelief van den Boroboedoer, een [16:] voorstelling van de zandzee met
den Bromo en den Smeroe op den achtergrond. . . toen wierp zij het blad weer
neer. . .
Haar handen voelden koud tegen haar heet-bleeke wangen. Wat ging de tijd snel
voorbij. Nu. . . nu kon hij er zijn. . . daar hoorde zij het geluid van het
aanrollen van een rijtuig. . . daar kwam hij. . . daar was hij . . .
Schuw trad zij terug tot achter een der dikke pilaren. Zoo kon zij hem zien,
hoe hij uitstapte. . . zij zag ook, hoe hij Frits de hand gaf, en deze lachend
weg-reed... zij zag zijn sterke, breede figuur, met het knappe gezicht, waarin
de heldere blauwe oogen verlangend staarden naar de galerij. Nog één
moment. . . toen had ook hij haar gezien. .. hij trad snel op, haar toe. . .
zij hoorde het, hoe hij licht hijgde, toen hij haar heftig in zijn armen trok.
. .
Zij lag aan zijn borst, waarin het storm[17:]achtig klopte en bonsde, hij sloot
haar vaster, vaster in zijn omarming, en zijn lippen zochten haar mond. .
Zij sloot de oogen, en liet zich in zijn liefkoozing gaan. . . zij kon niet
anders, zij had een gevoel, of alles om haar heen verwischte, verstilde, of
zij flauw vallen zou. . .
Toen hoorde zij zijn stem, zijn hartstochtelijke stem. . . . en zag zijn oogen,
stralend van hel geluk, toen hij, haar even van zich afhoudend, om haar te kunnen
aanzien, zei:
- Wou je me verrassen? . .. lieveling . . lieveling. . , god, wat heb ik naar
je verlangd. . Wou, je me verrassen. ., zeg?
Zij vond den moed niet, om hem te antwoorden, dat hij zich vergiste. Machteloos,
willoos lag zij in zijn armen, en hij begon te ontwaken uit den roes van zijn
vreugde. . .
- Betty. , . zei hij, Betty. , ,kind. . . [18:] zeg toch's wat. .. Je doet zoo
vreemd.. . je ben zoo stil... zeg... je ben toch wel blij, dat je me ziet? .
. .
Zij knikte zwijgend, op het punt in tranen uit te breken. En hij streek haar
liefderijk over het hoofd, met een geruststellende, teedere beweging.
- Ik begrijp je wel, zei hij. Ik begrijp je wel, hoor? Je bent wat zenuwachtig,
't is hier ook alles zoo vreemd voor je, hè... Dat wordt wel beter, als
we maar eerst thuis zijn, samen thuis, - o, kan je je daar indenken: samen thuis?
. . . Vanavond. . .
- Vanavond? vroeg zij, met zoo'n duidelijke ontsteltenis, dat hij van haar schrikte.
Hij zag, met pijnlijke verbazing, hoe angstig de uitdrukking harer oogen was,
hoe bleek haar wangen waren. .
- Wat is er... ben je bang voor me? . .. vroeg hij met diep verwijt.
Zij barstte in snikken uit. En in haar [19:] radeloosheid klemde zij zich aan
hem vast, en smeekte:
- Ach, wees niet boos... ach toe, begrijp me.. . laat me tijd. . .
- Betty... wat bedoel je . .. vroeg hij gesmoord.
- Laat me . . . 'n paar dagen nog maar. . . 'n paar dagen nog. . . hier. . .
mogen. . . blijven. . .
Hij haalde diep adem, en trad van haar terug.
- Moet je wennen aan 't denkbeeld m'n vrouw te zijn? vroeg hij. Was daartoe
de reis niet genoeg? O, dan. . . maar dan houd je ook immers niet van me . .
. dan heb je me niet lief. . .
- O! Hans! protesteerde zij snel, denk dat niet. . . ik houd wel van je. . .
ik weet 't... en jij weet 't ook. . .
- Als je wil, dat ik je zal gelooven, zei hij, en vatte haar bij de polsen in
herleefde hoop, dan... dan ga je met me mee vanavond. . . en je zegt me, [20:]
dat je graag en gewillig wilt gaan.
Zij deinsde terug voor het wilde vuur in zijn blik. En zij behoefde niet meer
met woorden te weigeren, haar houding zei hem genoeg. . .
- Blijf dan, zei hij ruw, wanhopig teleurgesteld haar van zich afstootende,
blijf dan hier. . . blijf dan, zoolang als je wilt. . .
|