Jeanne Reyneke van Stuwe:
Met den Handschoen, Indische schetsen
Amsterdam: L.J. Veen, 1915
Ten geleide
Jeanne Reyneke van Stuwe schetst het leven van een jonge vrouw in Indie, gelukkig
met haar echtgenoot, haar huis, haar mooie kleren maar... ver weg van haar dierbaren
in Holland.
[50:] De mail was aan.
Met haar brieven en bladen was Agnes gaan zitten in haar gezellige binnengalerij,
die met twee ramen links en rechts uitzicht gaf op het erf.
Het regende. Gudsend striemden de felle stralen neer op het gras, en deden de
kruinen der dadap-palmen glanzend glimmen, als waren zij gevernist. Uit den
loodgrüzen hemel stroomde eentonig het water neer, dat klotste in de goten
en pletsend spatte op de steenen. Hè! een dankje waard, om nu zoo'n heerlijk
home te hebben, dacht Agnes met teedere blikken haar interieur rondkijkend,
waarvan zij zooveel hield.
Zij zat op een zeer nieuwerwetsch lang[51:]werpig-vierkant canapé'tje,
van mahoniehout, met maderabruin damast bekleed. Rond het tafeltje, waarover
een met goud geborduurd bruin-satijnen kleedje lag, stonden drie aardige vierkante
dames-
fauteuiltjes. Dit was de c o s y c o r n e r van haar binnengalerij, waar zij
bij regen gewoonlijk zat; waar over den marmeren mozaïek-vloer eerst een
fijngevlochten mat lag gespreid, en daarover een smyrna-karpetje van heldere,
bruin-gele kleuren. Tegen den wand, rechts van het raam stond een mahonie-houten
étagère-kast.je, waarin zij, achter de vitrine-ruitjes haar souvenirs
uit Holland bewaarde, lieve kleinigheidjes, haar door haar familie en kennissen
bij het afscheid gegeven: een zilveren bonbonnière, ivoren hondjes, agaten
doosjes, een kristallen rafraîchisseur . .. Aan den anderen kant stond
haar theetafel met de beeldige blad-dunne Japansch porceleinen kopjes en de
gebatikt fluweelen [52:] tea-cosy, en daarachter de hooge koperen staanlamp,
met de geelzijden kap. Overal een weelde van prachtige palmen en hier en daar
op den grond een slanke glazen vaas met bloemen gevuld. Langs de muren gabatikte
wandbekleedsels en daarboven mooie, gedreven koperen borden. O, wat was alles
intiem en huiselijk en toch zoo innig gedistingeerd.
Zij legde zacht haar hand op de kussens van het canapé'tje, die de laatste
verrassing van haar moeder waren geweest: magnifieke Liberty kussens van Holbeinfluweel,
bruin, met een bouquet gele chrysanten in zijden brocaat daarop geäppliceerd.
Zij had maar niet kunnen raden, waarom Mama haar een staaltje had gevraagd van
haar meubel-bekleeding; die lieve moeder, zij leefde nog zoo geheel met haar
mee en deed maar niets anders, dan telkens weer nieuwe en aardige attenties
bedenken.
Wat een groote post had zij vandaag; [53:] een brief van haar moeder, zooals
elke week, dan nog een paar brieven, o, van Ernie en Jo, en van. . . van wie
was deze, zij kende het handschrift niet; zoo straks maar zien, eerst even bladeren
in het boekje van de Parijsche Louvre, dat vond zij altijd zoo leuk, en zij
bestelde er veel. . . Zie, de rokken wild gedrapeerd om de heupen, toch eigenlijk
alleen maar voor slanke persoontjes geschikt. .. en kijk eens, wat aardig, die
ceintuurs van wit herteleer... zóó moest zij er ook eens een nemen.
. . De hoeden nog altijd klein. .. en alles reigerveeren en paradüsvogels...
juist de twee soorten, waar de vogelbeschermers zoo tegen zijn: aigrettes en
paradijsvogelveeren, maar zij kon er niets aan doen, zij vond ze mooi. . . de
slanke buiging der mooie eigenaardig-gele, fijnpluizige veeren, of de aardig
stijve omhoog-sprieting der witte reigerpluimen. O, wat een beeldige blouse
van [54:] crème Alençon-kant, versierd met bolletjes en met geplooide
tulle en met een garnituur van empire-groen ninon. . .
Deze had wel iets van degene, die zij zelf op het oogenblik droeg van oudblauwe
paillette met Venetiaansche guipure. . . En wat is dit een snoezig diner-toilet
van met crêpe de Chine oversluierde zilverkant, met gepareld galon. .
. Hè, zij zou wel aan het bladeren kunnen blijven, en haar lieve brieven
vergeten. . . Haastig wierp zij het boekje weg, en greep naar den brief harer
moeder.
Snel doorliep zij de bladzijden, die bedekt waren met het dierbare, duidelijke
schrift. O, wat was Ma toch goed; zij schreef zoo hartelijk, en vol deelneming
in zelfs de kleinste wederwaardigheden haars levens. Zij voelde het volstrekt
niet, alsof zij ver verwijderd was van Mama. Elke week verzond en kreeg zij
een brief, en zoo bleven Mama in Holland, en zij in lndië volkomen op de
[55:] hoogte van al elkanders doen en laten.
Zij glimlachte onder het lezen, vol van een warm en dankbaar geluk. Mama bedankte
haar voor de kiekjes van haar huis, die Mama zoo'n goed denkbeeld gaven van
hare omgeving. Ja, ze waren ook uitstekend gelukt; en zij kon Mama begrijpen,
die de gezellige intimiteit van haar omgeving roemde.
Onwillekeurig keek zij even rond. Ja, zij was innig tevreden met haar huis en
als het regende, scheen het haar nog dubbel rustig en veilig. Zij voelde zich
volkomen tevreden.
Deze gedachte was haar laatste gelukkig moment. Want dóorlezende zag
zij met een schok van angst, dat er stond:
. . .Ik ben in den laatsten tijd nogal lijdende aan hoofdpijn. De dokter denkt,
dat het congesties zijn. Misschien is het de reactie na den drukken zomer, dien
we gehad hebben met de vele logé's tijdens de onafhankelijkheidsfeesten.
Ik [56:] weet het niet; ik zal me in elk geval dit najaar maar wat kalm en rustig
houden. Maak je niet ongerust, lieveling.
Je wekelijksche brieven krijg je toch, hoor? Want ik schrijf er eIken dag een
stukje aan, zoodat de brief op den maildag kant en klaar is. . . We zullen hopen,
dat ik gauw van die lastige pijn ben bevrijd; de dokter gaf me weer nieuwe poeders
en die schijnen wél te helpen. . .
Zij drukte den brief aan haar lippen en staarde voor zich uit met oogen die
vol tranen geschoten waren. Mama. . . arme, lieve Mama... Natuurlijk leed zij
veel, anders zou zij het immers nooit zóó hebben geschreven..
. En dan die roerende belofte, dat zij tóch elke week haar brieven krijgen
zou. . . "Maak je niet ongerust, lieveling. . ." zij kuste, en kuste
nog eens die lieve woorden. Ach, Mama begreep het wel, hoe zij nu zou tobben
en treuren en in smar[57:]telijke spanning wachten op den volgenden brief. .
.
Maak je niet ongerust... Hoe zou het mogelijk wezen n i e t ongerust te zijn,
waar een zoo verre afstand hen scheidde. O, dat zij nu niet even naar Mama toe
kon gaan, en haar een koele hand op het arme, gemartelde voorhoofd leggen, en
haar innig vragen, hoe het met haar ging. . . O, hoe had zij toch straks kunnen
denken, dat zij zich niet ver verwijderd voelde van Ma...
Zij bedwong den sterken aandrang tot huilen en tastte naar de brieven van haar
getrouwde zusters, Ernie en Jo. Eens gauw zien, of deze haar misschien ook schreven
over die hoofdpijn van Ma. . . Zij wist opeens, dat zij vurig hoopte van niet,
omdat het dan niet zoo erg zou zijn. Maar dadelijk al, na de eerste regels.
. .
Haar oogen werden wijder en wijder van wanhoop. Op een morgen was Mama [58:]
gevonden, in bed, bewusteloos. Zij was nu wel weer wat beter, maar haar spraak
was belemmerd en haar hersenen schenen verward...
O, god, o, god. . . deze brieven met dezelfde mail, waarmee Mama misschien wel
haar laatste schreef. . . Zij begreep het, dat Mama een beroerte gehad had en
dat die congesties en hoofdpijnen daarvan de voorboden waren geweest. Wild van
smart omgreep zij haar hoofd met de beide handen. Maar zij wilde erheen, zij
wilde naar Holland terug. . . zij wilde haar moeder nog éénmaal
zien, haar zoenen op het dierbaar gezicht, haar streelen de lieve handen.. .
De tranen stroomden haar over het in droefheid verbleekte gezicht. Een oogenblik
nog maar geleden verdiepte zij zich met kinderachtig pleizier in de futiliteiten
van een modeboek, had zij er niet het flauwste voorgevoel van, welke bittere,
verschrikkelijke tijding [59:] haar wachtte. . . O, maar aan haar diepe, innige
liefde kon moeder toch niet twijfelen. Zij waren zoo hecht aan elkander verbonden
geweest, en nu.. . en nu. . .
Zij moest gaan. Zij voelde het als een absolute zekerheid, dat zij zou gaan.
Zij het ook, dat Mama haar misschien niet eens zou herkennen, - of al zij het
ook, dat de volgende mail haar wellicht betere tijding zou brengen. . .
Haar spraak belemmerd, en haar hersenen verward... kon het, kon het erger? Driftig
greep zij nu naar den brief met het onbekend handschrift; wat zou deze haar
nog voor noodlottige tijding brengen!. . .
Het was een schrijven van den dokter, die haar nog eens bevestigde, wat zij
al wist. Ja. Haar moeder had een attaque gehad. Levensgevaar bestond er op het
oogenblik niet; maar... men kon nooit weten; als iets dergelijks zich herhaalde.
. .
[60:] Machteloos vielen haar armen neer. Wanneer iets dergelijks zich herhaalde.
. . Daar was dan kans op? Dat kon dus gebeuren?
Buiten ruischte de regen, met aldoor hetzelfde, hetzelfde geluid. Zij luisterde,
zonder haar wil, naar het schakeeringlooze, doode, monotone gedruisch, overwonnen,
gesuggereerd. De stralen daalden, regelmatig, maatvast, in onophoudelijk rumoer.
Zoo had het al uren geduurd, zoo zou het nog uren duren. . .
Aldoor gonsde het volle regen-gerucht door de luchten. En niets was er om haar
heen dan het gestadige; harde geklak van het plassende water.
Moeder, klaagde het in haar, Mama, lieve Mama. Ach, dat ik nu niet bij u kan
zijn, of u mag helpen. . . Dat ik zoo ver moet wezen, en machteloos naar u verlang.
. .
Dat was het wreede van Indië: het absoluut afgesloten zijn van alle lieven
[61:] in Holland, en dat de vreeselijkste dingen daarginds konden voorvallen,
zonder dat men er hier iets van wist. . .
Zij maakte plannen, om dadelijk, dadelijk te vertrekken. Zij wist niet, of haar
man het zou goed vinden, maar hij m o e s t hierin toestemmen. En hij zou het
ook wel, hij was zoo goed. Maar o, god, dan weer die angst om hem, die hier
zoo ver en eenzaam achterbleef. . .
Zij sloot haar oogen, om de rustige, lieve omgeving, waarvan zij zooeven nog
zoo genoten had, maar niet meer te zien, daar al dat fraaie, comfortabele haar
nu pijn deed in haar droevig ontroerde ziel. Maar dan nam zij opnieuw den brief
van den dokter op, in de hoop er nog iets van bemoediging, troost in te vinden.
. . Neen. . . hij schreef haar zelfs, dat, als het noodig was, hij haar onmiddellijk
een telegram zou doen zenden.
Een telegram. . . waarvoor zij altijd een innerlijken afschuw en angst had [62:]
gehad. Zij zou nu geen oogenblik rust meer hebben, altijd, altijd zou zij gekweld
worden door de vrees, dat de tijding dreigde. . . dreigde. . .
En als zij op de terug-reis was, dan zou zij sidderen voor het mogelijke marconigram,
dat haar bereiken zou. O, het was geen leven, geen leven meer voor haar. . .
Zij wrong haar handen samen, en snikte radeloos. Zelfs al ging zij morgen, overmorgen...
dan nog duurde het een maand, eer zij haar Moeder kon zien. Wat kon er in dien
tijd niet gebeuren; een maand, vier weken. . .
Zij nam den brief harer moeder, zacht, voorzichtig tegen zich aan. "Maak
je niet ongerust, lieveling. . ." klonk er haar opbeurend uit tegen. Maar
zij voelde zich niet bedaarder worden. Integendeel, een zoo nerveuse angst folterde
haar, dat zij bijna geen adem kon halen van dien druk op haar borst.
[63:] En toen. . .
Door het geweldig regen-geluid had zij de nadering van Kromo's voetstappen in
de voorgalerij niet gehoord. Nu verscheen hij opeens als door het noodlot opgeroepen,
in de groote opening van een der deuren, die voerden naar de binnengalerij.
Een donkere, stille figuur, wiens nadering zij verbeidde in ademloozen schrik,
want had zij op het blaadje in zijn hand het telegram niet gezien?
Zij strekte de hand afwerend uit, maar het was al te laat. Daar hoorde zij de
woorden, die zij niet bad willen hooren:
- Kabar ka wat, nja. . .
daar opende zij het papier met bevende, loome vingers, daar las zij Mama v a
n na c h t . .. en met een kreet stortte zij neder in zwijm.
De ontstelde Kromo ijlde naar de telephoon om meneer van kantoor te roepen.
. .
|