Anna de Savornin Lohman:
Vragensmoede
Amsterdam: P.N. van Kampen & Zoon, z. jr.
Ten geleide
Een christelijk roman schreef Anna
de Savornin Lohman, vol vragen over wat het ware geloof is, en wat de verhouding
is tussen christelijk geloven en christelijk handelen. De kinderloze Netty de
Vrede begrijpt door haar vrijwel ongelovige echtgenoot dat er geen verschil
mag zijn. Al is er een kans dat de Haags-aristocratische wereld op haar
zal neerkijken, toch dient ze haar neefje Harry in huis te nemen. Harry is het
kind van haar broer Willem en een naamloze Indonesische vrouw.
Op bezoek bij de deftige Huberte,
ontmoeten Netty en Harry Annie, die nog steeds van Willem houdt. Zij had de
moeder van Harry moeten zijn, denkt ze. Een dramatische confrontatie volgt,
Pijnlijk is de eenzame plaats die
Harry wordt toebedeeld. Nergens bij horen, het resultaat zijn van "onrecht"
en bezig met zijn, volgens Anna de Savornin Lohman, eerste en enige kans misschien
"een beter mens" te worden dan hij door hij afkomst eigenlijk kan
zijn. Arme Harry.
[112:]
"Verbeeld
je, Willem, - ik ben van middag bij mama geweest, - en ze hebben een brief gehad
van Edmond."
Zij hield even op, om de spanning des te grooter te maken,- met een instinct
van dramatisch effect.
"Nu," vroeg hij glimlachend, gewend aan die maniertjes om zijn nieuwsgierigheid
te prikkelen. - "Hoe gaat het met hem?"
"0 hèm!" Nettie legde in haar stem al de ergernis, die het
mislukken van haar broers carrière en leven in haar opwekte. "Aan
hem is toch niets meer te doen. Maar stel je voor, Willem! Nu komt hij ons lastig
vallen met zijn kind! Wat moeten papa en mama beginnen, vraag ik je!
- Vrede begreep zijn vrouw niet dadelijk. Hij wist wel, dat zijn zwager in Indië
het leven leidde van de meeste ongehuwde heeren, - met een huishoudster, die
de wettige vrouw verving. Maar Edmond, wiens brieven toch zoo weinig
[113:]
mogelijk van hemzelven vertelden, had zich immer uitgelaten over de gevolgen
van zijn verhouding tot de inlandsche.
- "Hij heeft een jongen, - van dat mensch." Nettie sprak dat woord
uit met al de hoogmoedige minachting der wettige, onverzocht gebleven vrouw
voor dat bruine zusterras, dat den Europeeschen man haar eer offert en haar
trouw, zonder iets terug te ontvangen dan zijn verstooting vroeg of laat. -
"Nu wil hij hem erkennen als zijn zoon, en voor zijn opvoeding naar Holland
zenden. En hij vraagt, of papa en mama hem daartoe bij zich in huis nemen willen.
Denk eens aan, op hun leeftijd! - En dan zoo'n sinjo!"
Al de minachting van heur aristocratisch bloed, van haar zich blanke voelen,
lag in den toon van dat schimpwoord, waarmede het onschuldig slachtoffer van
rassenhaat al zijn leven zou zijn gebrandmerkt.
- "Maar dat is onmogelijk!" riep Vrede. - Met zijn scherp oog van
dokter, die méér ziet dan de omgeving, wist hij het wel, dat mevrouw
Werter, wier gezondheid steeds achteruit ging, niet lang had te leven meer;
- en zeker de drukte en opwinding van een ongetemd-Indisch kind in haar rustig-gehouden
leven niet zou kunnen verdragen.
- Nettie knikte gewichtig. "Natuurlijk, - er is geen denken aan. Papa is
er bepaald boos over, dat Edrnond zoo iets durft voorstellen. 't Is of hij alle
schaamtegevoel heeft verloren! O Willem, ik kan me er zoo aan ergeren, dat hij
zoo geworden is."
Maar haar man leerde haar het zien in een nieuw licht.
- "Ik vind niet, dat Edmond hierin iets doet, waaraan je je moet ergeren,"
zei hij. - "Hij maakt een onrecht goed aan dat kind, - door zijn schuld
in 't leven geroepen, - door het openlijk aan te nemen als zijn zoon, en het
niet alleen een opvoeding te geven, maar ook den naam, waarop het recht heeft
voor de menschen. - Dat is een goede daad, die toont dat hij eergevoel heeft."
"Maar zoo denkt de wereld er niet over? - en de wereld zal ons uitlachen
om dat bruine kind," zei Nettie. -
Vrede haalde de schouders op. - "Als wij haar gelegenheid er toe geven
-.- dan ja," antwoordde hij. - "Maar als wij het kind, als een van
zelf sprekend iets, heel gewoon in ons midden opnemen, en toonen dat we ons
niet voor hem schamen, dan zwijgt ze gauw genoeg, die kleinzielige wereld, -
uit gebrek aan stof. Weet-je wat de meeste praatjes in
[114:]
de wereld brengt,
de aanleiding die de menschen er zelf toe geven door hun overdreven het zich
aantrekken, wat deze ervan denken, en wat die ervan zeggen zal! - Wanneer je
vriendinnen zien, dat jij verlegen wordt als er over je bruin neefje wordt gesproken,
of een straatje omloopt om haar niet tegen te komen als hij bij je is, dan hebben
ze satisfactie, en beleggen dadelijk een paar extra tea's om over je te kunnen
babbelen. Maar laat ze eens zien, dat je er heelemaal niets in vindt een sinjo
tot neefje te hebben, dat je je niet schaamt voor een broer, die wel gezondigd
heeft tegen de wetten der maatschappij, maar die ten minste den moed had de
gevolgen eerlijk aan te nemen, - dan ontneem je hun de aanleiding om over je
te praten, je te bekjagen, - en de besten zullen eindigen je te achten."
Nettie lachte even, om zijn manier van hare vriendinnen te beoordeelen. Toen-
"Enfin, we zullen hem natuurlijk wel ergens op een kostschool moeten doen.
Papa en mama kunnen er toch niet op ingaan hem zelf op te voeden. Dus, - - of
weet jij er wat anders op?"
Vrede zweeg even, als het vóór en tegen overwegende, toen zei
hij langzaam:
- "Ik geloof, dat een kostschool, - een jongenskostschool vooral, - een
plaats is waar de meeste jonge kinderen bedorven worden, - en ik geloof ook,
dat een kleurling, een mengsel van twee niet samenpassende rassen, méér
nog zorgvuldige leiding en liefde behoeft om een goed mensch te worden dan een
Europeaan. - Nettie, je bent Edmonds eenige zuster; ligt het niet op jou weg
het kind van hem tot je te nemen?"
Zij staarde hem met een bijna grappige verlegenheid aan. - "Ik, - ik, Willem?
- Ik zou je hartelijk bedanken. God, - als 't een blank kind, - van een fatsoenlijke
vrouw was, dan graag genoeg! Maar dit -"
-"Met andere woorden, als het een genoegen voor je was in plaats van een
onaangename plicht, dan zou je er toe bereid zijn. Zoo gaat het de meeste menschen,"
- zei haar man glimlachend. "Ik weet wel, dat je naar een kind verlangt,
- dat je het heerlijk zoudt vinden een mooi, aardig neefje op te voeden, op
wien we trotsch konden zijn." - Hij zuchte even, - met iets in zijn oogen,
dat Nettie verried, hoe ook hij leed onder dat kinderloos-zijn,
[115:]
waarover
zij nooit spraken. - "Maar het is de vraag niet wat wij wenschen zouden.
De vraag is, of wij verantwoord zijn, de poging die Edmond doet om zijn jongen
een goede opvoeding te geven onder goeden invloed, te verijdelen door onze zelfzucht,
die terugschrikt voor den last van een wild, ondeugend Indisch kind in ons rustig
huis."
Maar Nettie, wier levensweg zoo gemakkelijk en effen was, deinsde verschrikt
terug voor zulk een beschouwen van eigen- wil-verzaking.
"Je geeft er je geen rekenschap van, wat voor een verschrikkelijken last
we daardoor op ons zouden laden," begon zij, naar argumenten zoekend. "Denk
toch eens hoe het in ons leven zou ingrijpen, en hoe we nooit meer vrij zouden
zijn."
"Kom eens hier naast me zitten," - vroeg hij, haar op de sofa trekkend,
"luister eens," - en hij keek haar met zijn mooie, ernstige oogen
zoo recht aan als hij dat doen kon, zoodat ze een gevoel had alsof hij haar
zoo heelemaal dóór en dóór zag.-
"We hebben samen een heel verschillend geloof, nietwaar?" - zeide
hij, - "en we hebben dat onderwerp nooit veel aangeroerd."
"Ja," antwoordde zij schuchter, niet begrijpend waar hij heen wilde.
"Je hebt me altijd heel vrij gelaten."
"Precies; - nu zal ik je zeggen waarom. Omdat ik eerbied heb voor je opvatting,
en die hoogacht. Ik weet dat zoo'n geloof, als het eerlijk is, groote dingen
wekt, - want ik ben een kind van héél vrome ouders, Nettie, -
van ouders die hun God niet alleen met mooie woorden, maar ook met mooie daden
dienden. En, Goddank, ook in mijn later leven heb ik hier en daar zulke vromen
ontmoet, - die alles voor een ander opofferden, uit nauwgezetheid van hun geweten,
uit trouw aan hun Bijbel-leer. Tot dat geslacht heb ik ook mijn vrouwtje gerekend.
Ik heb er op vertrouwd, dat haar geloof een zedelijke kracht in haar was, -
die haar helpen zou goed te handelen, - lief te hebben. - Zeg me nu zelf eens,
- als die gestrenge, edele leer van Christus wezenlijk een stukje van je leven
is, iets anders dan een dun opvoedings-vernisje, kan je dan tóch vrij
uit gaan, wanneer je het eenige wat je nog voor je broer doen kunt weigert,
wanneer jè wèl teekent op lijsten voor arme negertjes en vondelingetjes,
maar je eigen verlaten neefje terugstoot, - omdat hij meer dan je geld, - omdat
hij je zelfopoffering noodig heeft?"
[116:]
Nettie had een beetje beschaamd geluisterd; voelend wel, dat hij gelijk
had, - en dat thans voor de eerste maal de godsdienst, die voor haar zoo gemakkelijk
was, een moeilijkheid legde ook op háren weg, ook van háár
bewijzen vorderde, offers vroeg van zichzelve-geven.
"Je bent zooveel beter dan ik, Willem!" zei zij, hare oogen vol tranen.
Hij kuste haar. "Niemand is goed," sprak hij met een zucht. "We
zijn allemaal zoo heel zwak meest. We willen wel, maar we kunnen niet."
En ze spraken er niet meer over dien avond, - over zijn voorstel. Maar het was
in haar gegaan toch. Zij voelde, dat hij, de ongeloovige, de hoogste Liefde
beter trachtte te dienen dan zij, die een uitverkoren kind van God zich noemde.
[122:]
Met kleinen
Harry, het bruine, Indisch uitziende ventje van haar broer aan de hand, liep
Nettie vlug langs den Scheveningschen weg. Zij wou nog even bij de Uytweerde's
aanwippen, om naar hem te vragen, want haar man had haar gezegd, dat het hard
achteruitging; het was een bijzonder slechte nacht geweest, - veel koorts, -
veel hoesten. - En ze had zoo'n innig medelijden nu met die arme Huberte, voor
haar meevoelend in eens, omdat ook zijzelve zoo gelukkig was getrouwd.
Zij had het heel druk op hare manier nu, met 't naar school brengen en weer
terughalen van Harry, dien zij niet recht alleen vertrouwde, omdat hij den weg
nog zoo slecht kende. - Want zij had, zooals gewoonlijk wanneer Vrede zijn invloed
op haar gebruikte, toegegeven aan zijn wil. Zij was een van die karakters, die
leiding noodig hebben, die, met een edele natuur naast zich, zelf edel handelen
kunnen, maar te zwak zijn om alleen qen moeilijken weg van plicht te gaan. In
haar zat dezelfde weekheid, dezelfde zucht haar natuur toe te geven, die haar
broer had ten val gebracht.
Maar hem had het leven ruw behandeld; het had hem den steun, dien hij voelde
noodig te hebben, ontrukt; en toen, willoos, had hij zich laten ineenzakken
in den modder. -
Zij daarentegen, die, had zij een alledaagschen, oppervlakkigen
[123:]
man gehuwd,
zelve niet in staat zou zijn geweest zich boven het gewone peil te verheffen,
had het geluk gehad een door het leven gevormd, hoogstaand karakter te ontmoeten,
een man die haar liefhad en tot zich ophief, die snaren in haar zieltje wist
te doen trillen, waarvan zij zeIve niet geweten had dat ze in haar waren. -
En zijn mooi ongeloof maakte hààr oppervlakkig sleurgeloof tot
een mooie daad.
O, 't was wel een moeilijk oogenblik geweest, toen dat bruine kind, het kind
der Indische, indrong met zijn ongemanierdheid van half beschaafd ras in haar
Hollandsch-net huishouden van kinderlooze preciesheid. Het was een dagelijksche
ergenis als hij, gewoon aan de marmeren vloeren van de villa's in zijn vaderland,
waar een lijf jongen achter hem dadelijk gereed stond zijn voetstappen weg te
wisschen, onbekommerd om de echt-Deventer mollige tapijten die hier de vloeren
bedekten, er zijn vuile schoentjes van de sneeuwige, slijkerige straten indrukte;
of als hij het speelgoed en de boeken, waarmede zij hem trachtte onledig te
houden, achteloos verscheurde en om zich heen wierp, met de bedorven manieren
van verwende Indische kinderen verwachtend, dat hier ook wel de een of andere
bediende gereed zou staan om, zwijgend en geruischloos, zijn onhebbelijkheden
weer goed te maken.
- En veel meer nog kostte het haar, zich aan zijn gelaat, zijn indolenten Oosterschen
aard te gewennen, waarin een element was, vreemd aan haar blanke, Europeesche
zijn,- dat haar terugstootte. Die platte, breede neus, het meest kenmerkend
bewijs van zijn kleurling-zijn, - die vreemde, droomerige oogen, - die heel
mooi waren, maar met iets raadselachtigs in hun als gesluierd zijn - dat haar
haast vrees inboezemde, - heel dat wezen van hem, lui, slaperig, niet gemakkelijk
tot deelneming op te wekken, en toch bij oogenblikken opbruisend in plotselinge
drift, overgevoelig dan, kwaadaardig, bijna woest, - het gaf haar alles een
gevoel van hem haar vreemd zijn, van tot een ander ras behooren dan het hare,
- het aristocratische, rustig-Noordelijke type.
En in meer dan één bui van moedeloosheid had ze haren man gevraagd:
'
"Ach, mijn God! wat zijn we begonnen! Wat zullen we met dat kind aanvangen!"
Maar hij bezag het anders, kalmer.
"Wij zijn bij het rechte eind begonnen in ieder geval,
[124:]
bij onzen
plicht," zei hij. "Het is zoo moeilijk dien soms te vinden voor menschen
zooals wij, die betrekkelijk rijk zijn, en geen bepaalde taak hebben te vervullen.
Ten minste zoo is het mij dikwijls voorgekomen. - Dat ik goed ben voor mijn
patiënten, en mijn best doe hen te helpen, is zoo weinig een offer van
mijn eigen leven. En dat jij de armen wat geld geeft, wat ruim bijdraagt op
liefdadigheidslijsten, dat ook kost je niets van je eigen ik. Dat zijn geen
dingen, die in ons bestaan ingrijpen. Maar nu doen we iets, dat zonder ons ongedaan
zou blijven. We geven een ouderlijk huis aan een kind, dat zonder ons van kostschool
tot kostschool zou moeten zwerven, en we maken hem daardoor misschien tot een
beter mensch dan hij anders zou worden. Want zonder herinnering van ontvangen
liefde opgroeien, is dat wel niet het ergste lot voor een kind? En vreemden
zouden hem niet liefhebben, alleen een kostwinning van hem maken. Ze zouden
hem al te vroeg doen ondervrnden de hardheid van het leven. Een jeugd zonder
liefde verbittert voor altijd."
Zij had zooeven aan die woorden van haren man teruggedacht, toen zij op den
hoek van de straat op Harry wachtte, bij 't school uitgaan. In een heel troepje
waren zij er uitgestormd, mooie flinke kereltjes meest, in hun vlugge matrozenpakjes,
met de sailor-mutsjes achteloos op hun bruine en blonde haren gegooid, en hun
lachende oogen schitterend.
van levensgenot en van pret, - omdat 't vier uur was, omdat ze stoeien en elkaar
bevechten konden nu, - van veerkracht en joligheid die de smart, die leermeesteres
van volwassenen alleen, nog niet had verdord in hen.
- Harry was in 't midden van vijf of zes hunner. En, met al de onbewuste meedoogenloosheid
van kinderen, die nog niet weten wat wreed-zijn is, jouwden ze hem uit om zijn
slecht-Hollandsch, zijn half-maleischen tongval, zijn kleumerig-koud zijn in
dien winter, den eersten dien hij, het tropenkind, kennen leerde; om heel zijn
van het hunne verschillende type, dat zij instinctmatig, zonder zelf de oorzaken
te weten, verachtten als iets minders.
Hij was nog zoo pas op school maar hij had nog geen burgerrecht onder hen veroverd
door een paar flink uitgedeelde pakken slaag, of door een vertoon van verstandelijke
meerderheid, waardoor sommige jongens weten ontzag in te boezemen. Hij was een
heel gewoon, verlegen, echt-Indisch jongetje, - met een vaag instinct dat men
hem dulde maar
[125:]
niet liefhad; en met een groot, aandoenlijk heimwee naar
de bruine vrouw die zijn moeder was, als van het jong naar haar die hem deed
geboren worden.
En daarom, omdat hij te zwak, te onhandig was zich te verdedigen, omdat zij
de sterksten waren, plaagden en bespotten die andere kinderen hem, - die in
den grond volstrekt niet boosaardig of slecht waren, - alleen maar exemplaren
van heel die treurige menschheid, die vertrapt wie ze onder den voet krijgt,
en vernielt wat niet in staat is zich te verdedigen.
En het was Nettie, terwijl ze daar, onbemerkt door hen, stil op den hoek van
de straat stond, als een afschaduwing van wat het leven zijn zou voor haar neefje:
onschuldig slachtoffer van zijns vaders dwaasheid. Een strijd, waartegen hij
niet was opgewassen; een hem laten boeten in smaad en vernedering voor een bloedsmenging
die hij zelf niet helpen kon toch: een hem met den vinger nawijzen, op zij dringen,
altijd als een vreemde blijven behandelen, - als een, die zich in een aristocratisch
en kring had ingedrongen,- onwillens wel, omdat zijn vader hem daar had geplaatst,
- maar die toch daarvoor gestraft zou worden door een bejegening van achterdocht,
- zijn leven lang.
Toen voelde ze blijdschap, dat ze hem tot zich had genomen, dat zij althans
er was, om zijn jeugd wat geluk te kunnen geven. En zij trad midden tusschen
de jubelende kinderen, verontwaardigd:
"Foei, - laat Harry los. - Jullie moest je schamen hem te plagen."
Zij stoven uiteen, haar kennend, de meesten althans, als vriendin hunner moeder;
gauw de mutsjes afnemend, half beschaamd, half giegelend nog.
- En Harry, huilend, klemde zich aan haar vast; in eens met een sterk besef
dat hij nu van hààr was, dat zij hem zou beschermen.
Zij troostte hem zoo goed mogelijk, liet hem zijn klein verdriet vertellen,
snikkend nog: "Hij was zoo dom," zeiden de jongens. "Hij had
den meester zulke gekke antwoorden gegeven; en "Sinjo" hadden ze hem
gescholden." - Hij begreep het scheldwoord zelf niet, maar hij voelde dat
het bestemd was hem zeer te doen. En, als een echte kleurling, heel dapper nu
het gevaar voorbij was:
"O, hij zou ze, - hij zou ze, - hij zou ze!" - --
[126:]
Zij trok zijn overjasje recht, en wischte zijn betraand gelaat schoon.
Zij voelde zich heel moederlijk. - En met bedarende woordjes nam ze hem mee,
zich haastend een beetje omdat het al laat was geworden, naar de Laan Copes;
- haar hoofd vol nu weer van die groote, wreede smart dáár; -
midden door haar eigen, wat oppervlakkig gelukkig-zijn de gedachte flitsend:
"Och God, wat was het leven toch akelig, wat liep het toch anders af voor
de meesten, dan men zich voorstelde als men jong was! Daar hadt je nu Huberte
en Uytweerde, die in den laatsten tijd toch al zooveel gehad hadden, en die
nu van elkaar, zoo jong nog, scheiden moesten, - die twee juist die zoo bij
elkaar behoorden. - En dan dat arme, idiote kindje van hen, waarom was dat nu
in de wereld gekomen? - En haar eigen broer Edmond ook, die eigenlijk zijn heele
leven had verknoeid door de schuld van een ander, - van Annie de Guérette,
met hare eenzijdige opvatting." Het kwam haar weer in den zin, hoe Annie
bij hare ouders placht te logeeren, en wat een beeldig-mooi meisje die toch
geweest was! "En Edmond, zoo'n aardige, vroolijke jongen toen! - Ja, 't
leven wàs akelig, - bepaald akelig. -"
-"Jawel, voor de familie was mevrouw wel te spreken," zei de knecht,
haar opendoende met dat air van gewicht, dat de bedienden zich geven in de huizen,
waar een ernstige zieke ligt. En hij liet haar in den salon, waar geen vuur
brandde en de gordijnen waren neergelaten; waar het stof op de ornamenten getuigde,
dat Huberte er zich niet om bekommerde nu, of de bedienden hun licht deden.
Terwijl Nettie, wachtend, op de canapé ging zItten, dacht zij terug aan
Uytweerde's minister-zijn, aan Huberte's "jours", druk bezocht natuurlijk,
wanneer de gelivreide knecht de deur heel wijd opendeed, en de zijden japonnen
binnenruischten, en de lucht zwaar-weelderig neerhing, van rozen verspreid in
de bloemglazen, van fijne odeurs op kanten zakdoekjes, vermengd met een heel-flauwen
oranje-bloesemgeur van de thee die de dames langzaam-gracieus aan hun lippen
brachten, tusschen een paar volzinnetjes in over de preek van dominee die of
die, die zoo "heerlijk" het kon zeggen, of over de verrukkelijke coupe
van hun geliefkoosde naaister, of over de heerschende ontevredenheid bij de
minder-gegoeden, die werkelijk "heel treurig" was, "heel treurig."
[127:]
Ze was verstoven nu, die soort vriendschap, - verstoven met het minister-af
zijn. En het was koud en leeg in den salon geworden, - als in het hart van Huberte.
Annie de Guerette kwam binnen, om Nettie te ontvangen. Huberte was juist bij
haar man, en zond haar maar even vooruit.
Want Annie, als diacones, had haar intrek er in huis sinds het zooveel erger
was nu, dat Uytweerde bepaald aanhoudend verpleging noodig had. - Met eenige
moeite had Huberte, die alles zelve wou doen, zich er eindelijk toe laten overreden
door Vrede. Zij kon immers niet op twee plaatsen tegelijk zijn; en het idiote
kind, dat zij steeds gewoon was zelve te verzorgen, wou zich door niemand anders
laten helpen. - 't Was een lieve attentie geweest van de directrice van "Bronovo,"
dat ze juist zuster de Guérette, die de Uytweerde's zoo goed kenden,
had weten af te staan.
"Ach God, - hoe gaat het toch?" vroeg Nettie, de tranen in de oogen.
"Willem vindt, dat het zoo slecht met hem is- sinds een paar dagen."
- En Annie, met een droevig-berustend hoofdschudden van veel zulk lijden aanzien:
-"Ja, het gaat achteruit, - heel gauw." -
Toen plotseling vestigden haar groote stille oogen zich op het kind, dat ze
nog niet ontmoet had, - waarvan zij wist, dat het Edmond's kind was.
"Is dat je neefje?" zei ze.
Nettie, wat verlegen nu, bloosde er om, zich te laat zeggend dat ze misschien
maar beter had gedaan hem niet mee te nemen hierheen.
-"Ja, dat is kleine Harry! Je wist toch dat hij bij ons was, niet waar?"
begon ze, en, om maar af te leiden: "Kijk eens, Harry, je hebt die tante
nog geen handje gegeven. - Wees eens gauw beleefd!"
Toen kuste Annie hem heel lang en hartstochtelijk, - het kind immers van den
man, dien zij had liefgehad, -liefhad; altijd nog, onder haar maagdelijk zusterkleed;
- zijn kind, - maar ook dat van die vreemde, bruine meid, - die inlandsche vrouw,
- die hare plaats had ingenomen. - En, in eens, heftig, zoóals ze het
anders nooit was, stootte zij het ventje van zich, ruw bijna, zoodat hij haastig
naast Nettie op de canapé terugkroop.
Een oogenblik spraken zij door, - beiden gedwongen.
|