Anna de Savornin Lohman:
'Roem'. uit de bundel Miserere
Amsterdam: P.N. van Kampen & Zoon,[1895?] derde druk
Ten geleide
Miserere - heb medelijden met mij - bevat drie verhalen, waarvan 'Roem' een
vrijwel Indische handeling heeft. De titel is spottend: wat is de roem van een
geridderd en onderscheiden KNIL-officier feitelijk waard?
Als meisje verlieft Marie
zich op Henning van Helsdingen. Hij wil naar Indie, om daar de Willemsorde te
behalen. De Atjeh-oorlog richt Nederland ten gronde, en daarin vindt hij zijn
rechtvaardiging. Marie is geschokt: "Die Atjehers zijn toch ook menschen
en hebben vrouw en kinderen?" Maar Henning gaat.
Als hij na jaren terugkeert
naar Nederland, vraagt Marie zich af wat de reden daarvoor is...
[175:] Nu wist ze die.
Hij had zijn geschiedenis verteld.
Het was heel toevallig gekomen. - - -
Eerst waren zij stijf en vormelijk geweest, elkander ontgroeid, vervreemd door
die jarenlange scheiding; zij, [176] verlegen, zenuwachtig, onder den indruk
van het weerzien, en van het gewicht zijner persoonlijkheid ook; hij was immers
een beroemd man nu, een "held" ; hij, stil, droefgeestig, overstelpt
door de herinneringen, die hem hier aangrijnsden van alle kanten, met een verlangen
om het uit te schreeuwen van pijn, omdat dat alles voorbij was, verzonken in
het graf der jaren, - heel zijn zonnige jeugd. -
"En mijn oudste broer in Den Haag heeft een zoon die ook officier moet
worden," had zij gezegd, en, terwijl een blijde hoop lichtte in hare lieve,
oude oogen, voegde zij er bij: "Wij hopen, dat hij in uw voetstappen zal
treden; het is trouwens uw voorbeeld ook, dat het hem heeft aangedaan."
In eens sprong hij van zijn stoel op. "Moet mijn gevloekte eerzucht dan
nog meer ongeluk aanrichten!" riep hij heftig. "Laat de leugen van
mijn leven hem toch niet verblinden, maar een waarschuwing zijn." -
En, toen zij hem ontsteld, vragend, aanzag, herhaalde hij hartstochtelijk, heel
zijn zelfbeheerschrng kwijt in deze onveranderde omgeving uit zijn kindsheid:
"Ja, een leugen, zeg ik u, één lange leugen is mijn leven
geweest."
"Henning," riep zij smeekend, en legde, in haar behoefte hem te troosten
weer vrijmoedig geworden, haar hand op zijn arm: "Henning, zeg dat niet.
Het is immers niet waar."
Het herinnerde hem op eens het kleine, lieve meisje, dat altijd zijn vertrouwde
was geweest, herinnerde hem ook hare zachte, vermanende waarschuwingen, toen
in den wind geslagen, maar die soms, in slapelooze nachten, de palmen aan het
verre Oosterstrand hem in hun somber suizen hadden herhaald.
[177:] "Weet gij het nog, wat gij mij eens zelf gezegd hebt, Marie?"
zeide hij bewogen. "Het is wreed, iets dood te maken zonder reden, alleen
voor je plezier" en, later, toen ik volstrekt naar Indië wou: "Je
doet het niet uit vaderlandsliefde of zoo iets; je gaat alleen uit eerzucht."
- Zie je, dáárin ligt de leugen van mijn leven; niet, omdat mijn
vaderland in gevaar was, omdat er behoefte was aan hulp, ben ik vrijwillig,
ongevraagd, naar Indië gegaan; niet, omdat ik mij ooit met het al of niet
rechtmatige van den Atjeh-oorlog had beziggehouden. Er waren immers meer officieren
dan beschikbare plaatsen bij het leger, zoodat mijn detacheering een gunst,
veel meer dan een opoffering was.
- - En ik heb menschen, die mij persoonlijk niets misdaan hadden, gedood, gewond,
levenslang verminkt, niet, omdat ik mijn vaderland zoo liefhad, en Atjeh zoo
graag daarvoor wou winnen, maar, omdat ik daarmede sneller vooruitkwam in mijn
carrière, en ridderorden en eervolle vermeldingen in de couranten verwierf!
O, ik wist niet wat ik deed, dat is mijn eenige verontschuldiging. Ik had nog
geen slagvelden gezien, geen afzichtelijke verwondingen bijgewoond; ik had er
mij geen rekenschap van gegeven, wat afschuwelijke noodzakelijkheden een oorlog
meebrengt; maar nu weet ik het, als ik die lintjes zie op mijn borst, dan houd
ik niet op te denken, aan wat het heeft gekost ze te verkrijgen: rijen van dooden,
van mannen, gestorven onder verschrikkelijken doodsstrijd, onder nameloos lijden
van verwonding of dorst, van onbegraven lijken, die de lucht verpesten met hun
reuk en in die heete landen verderf brengende ziekten: koorts en cholera, mee[178:]sleepen,
verwoeste velden en brandende dorpen, met vluchtende inboorlingen, mishandelde
vrouwen en kinderen, weduwen en weezen, en armoede en levenslang ongeluk van
verschrikkelijk verminkt geblevenen, wien oogen of tong werden uitgeschoten,
of die met een inwendige kwetsuur door het leven moeten gaan. - - Dan vloek
ik het uur, waarin ik mij, vrijwillig, zonder noodzaak, in die hel heb gestort,
om de ijdele eer te behalen van wat hooger rang, wat meer gouden strepen op
mijn uniform." - - -
Marie's oogen stonden vol tranen. Al die vreeselijkheden deden haar reeds huiveren,
nu hij er van sprak slechts; en hij had ze moeten bijwonen, helpen veroorzaken
zelfs.
"Arme Henning!" sprak zij innig.
Hij liet zich gaan op den stroom zijner gedachten.
"Ik weet nog zoo goed, hoe blij ik was, toen het bericht kwam van ons vertrek
naar Atjeh, naar het oorlogsterrein. In mijne zelfzucht dacht ik alleen aan
hetgeen ik daardoor zou kunnen winnen, indien ik in het leven mocht blijven,
niet aan wat zooveel anderen er onherroepelijk bij verliezen gingen. - Ach God,
ik wist niet beter nog. -
"Er was een luitenant bij mijn afdeeling, jonger dan ik, een lieve, zachte
jongen, die zich aan mij had gehecht, omdat hij zich verbeeldde, dat ik op zijn
oudsten broer geleek. Hem had de harde noodzakelijkheid naar Indië gedreven.
De voor zonen van militairen zoo goedkoope opleiding had zijn vader gedwongen
om van hem en zijn twee oudere broers allen officieren te maken voor den dienst
in Nederlandsch Indië. Er waren nog [179:] een paar zusjes thuis, die moesten
worden opgevoed, en een klein broertje, een vlug jongetje, dat zoo graag ingenieur
wou worden.
"Nog hoor ik mijn kameraad over die allen spreken, zich er op verheugen,
dat hij hen eenmaal zou wederzien in wat ruimer omstandigheden misschien, als
nog een paar van de jongeren het huis uit waren, en hij en zijne broers carrière
hadden gemaakt.
"Want, hij ook wou carrière maken, als ik; niet om zelf eer te behalen;
hij had niet veel illusiën van het militaire leven, dat hij haatte; maar
ten behoeve van zijn oude vader en moeder, die hij dan zou kunnen helpen.
"Hij was het, die mij het eerst heeft doen twijfelen aan mij zelf, aan
het edele mijner beweegredenen; ik voelde, dat de vergelijking niet gunstig
uitviel voor mij; tusschen hem, die gegaan was zonder begeerte, uit liefde tot
de zijnen, en mij, wien mijn oude grootvader tevergeefs gesmeekt had te blijven,
om hem." - -
Hij streek zich zenuwachtig over den grijzen knevel.
In die jaren, waarin hij eenzaam door het leven was gegaan, had hij geleerd
te reikhalzen naar die groote liefde, die eens vergeefs voor hem had gebloeid,
- en nu sinds lang was gedekt door kerkhof-bladeren.
Marie wischte een traan weg. Ze wist zelve niet, of het om Henning was, of om
zijn verhaal.
"Ik heb dien man zien sterven," sprak hij. "Sterven onder het
verschrikkelijkste lijden. O, als het maar op het slagveld geweest was, zooals
men zich dat in boeken voorstelt, in eens gesneuveld, dood met één
schot, zonder den tijd tot lijden, tot nadenken, tot betreuren [180:] van het
ontvliedend leven. Maar hij werd gekwetst, hij sleepte zich onder jammerlijke
pijnen, voelend hoe hij inwendig verbloedde, naar een bamboe-boschje, waar hij
hoopte voor het afmaken van de Atjehers gespaard te zullen blijven. - Want ik
zal u zulk "afmaken" niet beschrijven, Marie. Dank God, dat er niemand
onder uwe vrienden is, van wien gij behoeft te denken, dat hij onder zoo afgrijselijke
mishandelingen gestorven is. -
Daar lag hij dien ganschen dag en nacht, onder naamlooze pijn, met den brandenden
dorst van wondkoorts en tropenhitte; en hij was zich voortdurend de ellende
van zijn toestand bewust, hij lag steeds het oogenblik te gemoet te zien, waarop
de Atjehers hem vinden, hem dien vreeselijken marteldood aandoen zouden. - Waarom
sta ik juist bij zijn lot zoo lang stil? Er zijn immers genoeg anderen, wien
het zoo is gegaan, die weergevonden werden als lijken, - hetzij omgekomen van
uitputting, - hetzij zelf een einde gemaakt hebbend aan un ellende. - Hem vonden
wij nog levend, en brachten hem naar het hospitaal, waar hij behoorlijk kon
worden verpleegd.
"Maar o, dat lange lijden! Wij wisten, dat hij sterven moest, en eindelijk
begreep hij zelf het ook. Het kostte hem zooveel moeite, van het leven te scheiden;
hij verwachtte er nog zooveel van, en bij ieder vleugje van beterschap hoopte
hij weer. O mijn God, het duurde zoo lang, en het was zoo vreeselijk! In het
laatst riep hij zelf voortdurend om den dood, als een verlossing van zijn lichaamslijden,
en, terwijl ik hem zag wegkrimpen van pijn, dacht ik aan wat hij geweest was:
een levenslustige, veel-liefhebbende en veel-be[181:]minde jongen, dacht aan
zooveel anderen, wie een dergelijk lot had getroffen, - en dan was al mijn vreugde
om mijn decoratie weg. - -
"Want het was bij die gelegenheid, dat ik de militaire Willemsorde kreeg."
- -
"Arme ouders," fluisterde Marie.
"Ja, arme ouders! Ik heb een brief van hen ontvangen, na zijn dood. Zij
schreven mij in antwoord op een pakje met souvenirs van hem, dat ik hun had
overgemaakt. O Marie, toen heb ik gewenscht, dat ik in zijne plaats gestorven
ware. Ik had het verdiend immers, ik, die vrijwillig was gegaan, alleen om eer
te behalen voor mij zelf; niet hij, wien de hardheid van het leven alleen had
gedwongen tot den oorlog, tot scheiding van de zijnen! - Ach, dat is het begin
slechts van mijn gewetenswroegingen geweest. Ik zal ze u niet alle optellen,
die phasen van ontgoocheling, van vermoeidheid van het leven, die ik heb doorgemaakt;
ik zal u alleen nog verhalen van dien laatsten tocht, die mij ten slotte gedreven
heeft, mijn ontslag aan te vragen, mij voor goed te onttrekken aan al die schijngrootheid.
"Het was bij gelegenheid eener verkenning, dat wij van de onzen afgewaaId,
en door den vijand ingesloten waren. De geschiedenis heeft later in alle couranten
gestaan. Het was die, waarbij ik heette mij zoo bijzonder te hebben onderscheiden.
Niemand weet, wat ik toen geleden heb, tot wat prijs die laatste rangbevordering
van mij is gekocht. - Onze gewonden konden wij niet eenmaal verbinden; wij hadden
noch verbandmiddelen, noch medicijnen, noch watten, noch water.
[182:] Alles was verloren gegaan in de overhaaste vlucht binnen den muur, waarin
wij omsingeld zaten. Kunt gij u ook maar eenigszins voorstellen, wat dat beteekent;
hoe de zieken met wondkoorts lagen te ijlen, en hun kwetsuren begonnen te ontsteken
en te etteren, in dat heete klimaat dubbel snel; hoe zij jammerden om drinken,
en wij hun dorst niet konden lessen, machtelooze getuigen waren hunner ellende?
Maar wat nog vreeselijker was, - wij wisten dat wij hen moesten achterlaten,
dáár laten sterven, overgegeven aan de woede van den vijand. Op
mij, den commandant, rustte de verschrikkelijke verantwoordelijkheid van dat
besluit; tegen den avond koesterde ik het voornemen, geholpen door de duisternis,
een uitweg te zoeken, desnoods ons dien te banen met de blanke sabel; maar,
het spreekt vanzelf, wij konden onmogelijk daarbij onze gekwetsten meevoeren.
O, het was verschrikkelijk, dat te weten, en er toch niets aan te kunnen doen.
Want ik mocht immers evenmin de gezonden aan de zieken opofferen. Blijven stond
gelijk met uitgehongerd te worden tot overgave. Was de troep mij niet toevertrouwd,
moest ik niet naar mijn beste weten trachten te redden, wat nog te redden was?
Hoe dikwijls heb ik gedurende dien langen dag niet gewenscht, dat een der kogels
die nu en dan binnen onze muren drong, toch mij mocht dooden, aan mijn tweestrijd
een einde maken! Maar zij gingen mij altijd voorbij; zij troffen juist hen,
die het meest aan het leven hingen.
"Ik zag een korporaal sterven, wiens diensttijd bijna verstreken was, die
gehoopt had binnen een paar maanden naar het vaderland terug te keeren, om de
vergeving [183:] te vragen van ouders, wien hij geloof ik, eenmaal veel verdriet
had berokkend; - en een anderen soldaat die vloekend, het uur waarin hij zich,
door het handgeld verleid, tot teekenen had laten overhalen verwenschend, onder
de vreeselijkste stuiptrekkingen den geest gaf. -
Maar dat was nog alles het ergste niet voor mij. Er was onder mijne mede-officieren
een, bij wien ik veel aan huis kwam, wiens gelukkig familie-leven ik sinds lang
had leeren benijden. Nog zie ik het bleeke, kommervolle gezichtje van zijn arm
vrouwje, op dien laatsten avond vóór ons vertrek, toen ik van
haar kwam afscheid te nemen. Zij kon haren man niet naar Atjeh volgen; om den
wille harer kinderen moest ze wel op Batavia achterblijven. De portretjes van
die twee jongens droeg mijn vriend altijd bij zich; hij was zoo trotsch op hen,
en ik geloof niet dat de gedachte aan hen een oogenblik uit zijn hart is geweest
op dien verschrikkelijken dag. Maar dat belette hem niet zich goed te houden.
Hij was een der edelste, onbaatzuchtigste mannen, die ik gekend heb: een militair,
niet, zooals ik, uit eerzucht, maar uit plichtbesef. Ik weet niet, waarom hij
die loopbaan gekozen had; ik heb het hem nooit gevraagd; maar ik weet alleen,
dat hij haar ten einde is gegaan met een onbezweken heldenmoed, niet dien van
ruw vechten, van dierlijke, woeste zelfverdediging, waarop dat woord zoo vaak
wordt toegepast, maar een heldenmoed van opoffering aan zijn minderen, die hem,
den officier, weigeren deed iets van het weinige voedsel dat wij nog hadden
voor zich te nemen, opdat de anderen te meer konden krijgen; die hem, gewond
reeds door een schot in den arm, nog deed blijven rondgaan [184:] bij de overige
gekweststen, om hen op te wekken met vriendelijke woorden van troost en bemoediging.
- Ziet gij, Marie, dat is dapperheid; niet die, waarvan men in boeken en couranten
leest, en waarvoor ze mij ridderorden op de borst hebben gehecht, - die er in
bestaat, dat men als wilde dieren elkander bevecht en vermoordt, zooals Tolstoï
het zoo meesterlijk. heeft ontleed in zijn ware gedaante van dierlijk instinct
tot zelfbehoud en wreedheid. Maar in zulke uren van vertwijfeling en ellende
niet aan zichzelf, maar aan de anderen alleen te denken, en zich aan hen op
te offeren, daartoe zijn maar heel weinigen van die helden, die de menschen
zoo hoog eeren, in staat. Men heeft mij, om hetgeen daarna geschied is, met
eerebewijzingen overladen, omdat ik er in geslaagd ben, het verloren terrein
te herwinnen; maar wat was dat in vergelijking van de onbeloond gebleven zielenadel
van mijn armen kameraad, op dien dag van vertwijfeling! - En hij ligt nu daarginds
in een onbekend, eenzaam graf, maar ik ben in de oogen der wereld een "held.""
|